Eed van Hippocrates

Ik zweer bij Apollo, de Genezer, bij Asclepius, Hygieia et Panaceia, en bij alle goden en godinnen, die ik tot getuigen roep, dat ik deze eed en deze verklaring, naar beste weten en vermogen, zal nakomen. Ik zal hem, die deze kunst aan mij heeft onderwezen, beschouwen als een vader, hem laten delen in mijn levensonderhoud, en, als hij in schulden of nood zou geraken, hem op zijn verzoek steun verlenen.

Zijn zonen zal ik gelijk stellen met mijn eigen broers; ik zal hun, als zij de wens daartoe te kennen geven, deze kunst leren zonder vergoeding en zonder schuldbewijs; tot mijn voorschriften, voordrachten en heel mijn verdere onderricht zal ik toegang geven aan mijn zonen, aan die van mijn leermeester en aan die leerlingen die zich bij mij hebben ingeschreven en gehouden zijn aan de medische wet; maar aan niemand anders.

Ik zal dieetregels naar beste weten en vermogen aanwenden tot heil der zieken, nooit tot hun verderf of schade.

Ik zal niemand een dodelijk geneesmiddel toedienen, ook niet aan iemand die dit van mij vraagt; zelfs een aanwijzing in die richting zal ik niet verstrekken.

Ik zal nooit aan een vrouw een middel toedienen ter vernietiging van ontkiemend leven.

Ik zal mijn leven en mijn kunst steeds zuiver en rein bewaren.

Ik zal geen operaties uitvoeren, zelfs niet bij lijders aan blaasstenen, maar ik zal dat werk aan deskundigen overlaten.

In welk huis ik ook binnentreed, ik zal er alleen binnengaan om de zieken te helpen; nooit zal ik er willens en wetens enig onrecht doen, in het bijzonder mij nooit schuldig maken aan seksuele omgang met man of vrouw, vrije of slaaf.

Ik zal, wat ik bij de uitoefening van mijn beroep ook zal horen of zien, of ook daarbuiten over het leven van mensen te weten kom aan dingen, die nooit bekend mogen worden, in stilzwijgen bewaren, en het beginsel hooghouden, dat dingen die mij zó bekend worden vallen onder de plicht van geheimhouding.

Als ik deze eed trouw in acht neem en niet ontwijd, moge ik dan in mijn leven en in mijn kunst gezegend worden, en aanzien genieten bij alle mensen, te allen tijde, - maar als ik hem schend en meinedig word, dan wil ik het tegendeel ondergaan.

Leven

In tegenstelling tot de legendarische figuur Homeros is Hippocrates historisch geattesteerd in verschillende bronnen.

Plato vermeldt in zijn werk twee maal de naam van Hippocrates. Hieruit kan worden afgeleid dat Hippocrates reeds in zijn tijd gold als de meest bekende arts uit de 5de eeuw voor Chr. Deze getuigenis wijst ook op het belang van het Hippocratisch denken en tezelfdertijd ook op de invloed van de medische reflectie op de intellectuele geschiedenis van het klassieke Griekenland. De geneeskunde, de wetenschap van het lichaam, kon dienen als model voor de filosofie, de wetenschap van de geest.

Niet toevallig ook een filosoof, Aristoteles, wiens vader trouwens arts was, vernoemt eveneens Hippocrates in zijn werk.

Latere getuigenissen over het leven van Hippocrates zijn wellicht niet altijd betrouwbaar.

Hippocrates werd geboren op Kos in 460 voor Chr. Hij behoorde tot de aristocratische familie van de Asclepiaden die gezegd werd rechtstreeks af te stammen van de god Asclepios. Deze laatste was ten tijde van Homeros (8ste eeuw voor Chr.) nog geen god maar de prins van Tricca in Thessalië en was bekend om zijn medische kennis. De familie van de Asclepiaden was reeds in de 5de eeuw voor Chr. beroemd omwille van zijn medische kennis en de diensten die ze had bewezen aan het vaderland.

Zoals het de gewoonte was in zijn familie werd ook aan Hippocrates de geneeskunde onderwezen van vader op zoon. De opleiding van een goed geneesheer bestond in de oudheid wellicht ook uit de studie van de retorica en de filosofie.

De geneeskunde werd vooral mondeling en praktisch onderwezen. Nochtans zou Hippocrates reeds hebben kunnen genieten van door zijn grootvader geschreven medische geschriften, misschien over chirurgie.

Na zijn opleiding in familiekring oefende Hippocrates eerst de geneeskunde uit op Kos. Hij huwde er en kreeg twee zonen die eveneens een medische opleiding genoten en een dochter. De medische opleiding werd in de volgende geslachten verder gezet.

Hij werd uitgenodigd om tegen een flinke vergoeding te komen werken aan het hof van de Perzische koning Artaxerxes I, maar zou geweigerd hebben.

Na de dood van zijn ouders vertrok hij met zijn kinderen naar Thessalië (Noord-Griekenland). Dit moet voor de jaren 420 voor Chr. geweest zijn. Hij zou wel nog nauwe contacten onderhouden met zijn geboortestad Kos maar hij zou er nooit meer terugkeren.

Onder meer op basis van individuele patiëntenfiches in het Corpus Hippocraticum waar de herkomst van de patiënt vermeld staat krijgen wij een idee van de steden in Thessalië waar Hippocrates de geneeskunde zou hebben uitgeoefend. Ook buiten Thessalië zou Hippocrates actief zijn geweest, met als verste uitlopers de steden Athene, Delphi, Korinthe en de eilanden Syros en Delos in het zuiden en de stad Odessa op de oostkust van de Zwarte Zee.

Hippocrates stierf in Larissa, een stad in Thessalië, op hoge leeftijd. De ons overgeleverde bronnen situeren zijn dood tussen de jaren 375 en 351 voor Chr.

Afbeeldingen van Hippocrates

Er zijn verschillende borstbeelden bekend waarvan dat van Ostia als het meest authentieke wordt beschouwd. Verder werd het portret van Hippocrates gevonden op muntstukken van Kos en kleine bronzen muntstukken uit de Romeinse periode. Ook op deze laatste wordt een kale man met baard afgebeeld.

Een zekere Soranos (wellicht Soranos van Efese, een arts uit de Iste–IIde eeuw na Chr.) schrijft in de korte biografie die hij over hem maakte dat er talrijke afbeeldingen van Hippocrates bestonden die hem afbeeldden met het hoofd bedekt, volgens de enen met een pilos, een soort vilten hoed, volgens de anderen met een mantel. Deze beschrijving ligt aan de basis van de miniatuur uit de 14de eeuw waar een kale Hippocrates wordt afgebeeld met op zijn hoofd een himation, een mantel, en zittend op een troon zoals een Christusfiguur met in zijn hand een boek waarop het begin van het Hippocratische boek "Aphorismen" te lezen staat.

Hippocrates en de school van Kos 

Hippocrates is niet de vader van de geneeskunde noch de stichter van de school voor geneeskunde van Kos. Reeds ten tijde van Homeros werd de medische wetenschap beschouwd als een 'te onderwijzen kunst'. De eerste sporen van medisch onderricht zijn geattesteerd in Thessalië. In het klassieke Griekenland (6de-5de eeuw voor Chr.) ontstonden elders grote medische centra, gelokaliseerd binnen het kader van de stadstaten. Er was de school van Kos maar daarnaast waren er ook beroemde scholen voor geneeskunde in Crotone (Zuid-Italië), Cyrene (Noord-Afrika) en Knidos (Westkust van Turkije, bij Kos).

Het medisch onderwijs bleef echter nog sterk getekend door de familiale en aristocratische structuren. Er werd onderwezen van vader op zoon. Er bestond geen publiek, door de stadsstaat georganiseerd, medisch onderwijs noch officieel afgeleverde titels die toelieten de geneeskunde uit te oefenen. En er bestond ook geen alternatieve geneeskunde gezien er geen 'officiële/traditionele' geneeskunde bestond.

Naast zijn zonen behoorden ook andere leden van de familie van de Asclepiaden tot de leerlingen van Hippocrates. Ook niet-leden van deze familie konden, mits betaling (volgens Plato in zijn werk Protagoras), medisch onderwijs genieten in de school van Kos. Het is niet duidelijk of deze evolutie reeds vóór Hippocrates gestart was. In elk geval nam ze grote uitbreiding ten tijde van Hippocrates. Volgens een commentaar op de eed van Hippocrates die wordt toegeschreven aan Galenus (een bekende arts uit de 2de eeuw na Chr.) zou de verklaring hiervoor te vinden zijn in het feit dat er binnen de familie te weinig kandidaten waren om de medische traditie voort te zetten. Dit laatste was voor de Asclepiaden een prioriteit.

In een recent op Kos gevonden inscriptie uit de IIIde-IIde eeuw voor Chr. wordt eer bewezen aan een zekere Hippocrates (kinderen werden vaak naar hun grootvader genoemd bij de Asclepiaden). Hij is de achtste ons bekende geneesheer met de naam Hippocrates en afstammeling van de bekende Hippocrates en behoorde tot de familie van de Asclepiaden. Dit bewijst dat de school van Kos een grote reputatie had tot in de hellenistische periode en zelfs tot in de keizertijd. Tacitus vermeldt dat de arts van keizer Claudius de uit Kos afkomstige Xenophon was.

Toch ontgaat ons de precieze evolutie van het medisch onderwijs in de school van Kos in de hellenistische en Romeinse periode. Zeker is dat ze haar superioriteit verloor op het moment dat de kleine stadsstaten plaatsmaakten voor grote rijken in de hellenistische periode en hun hoofdsteden Pergamon en Alexandrië. Deze laatste stad werd dan hét medisch centrum. Nochtans verloor het Hippocratisch denken niet aan belang. De geleerden van de Alexandrijnse bibliotheek verzamelden en becommentarieerden zorgvuldig de geschriften van Hippocrates en zijn leerlingen.

Eed van Hippocrates 

Het is in deze context van het openstellen van de school voor externe leerlingen dat althans het eerste gedeelte van de zogenoemde eed van Hippocrates dient gelezen te worden. Het gold als een contract waarin de door de niet tot de familie behorende leerlingen te bieden morele en financiële garanties ten overstaan van hun leermeester werden vastgelegd. Enkel zij dienden de eed af te leggen. De leerling betaalde het studiegeld en verbond zich ertoe, indien nodig, in de materiële behoeften van de leermeester te voorzien. In ruil genoot hij een medische opleiding en mocht hij die gratis aan zijn zoon/zonen doorgeven. Het eerste deel van de eed had dus vooral de bedoeling de belangen en privileges van de familie van de Asclepiaden te vrijwaren op het moment dat de school werd opengesteld voor externe leerlingen.

De meest bekende externe leerling van Hippocrates was Polybos. Hij huwde met de dochter van Hippocrates en nam de leiding van de school over op het moment dat deze naar Thessalië vertrok.

Het tweede gedeelte van de eed bevat de essentie van de plichten van de arts tegenover zijn patiënt en diens entourage. Het is duidelijk dat deze regels van medische ethiek voor alle artsen, de meester, zijn zonen en ook de andere leerlingen, golden. Vandaar dat deze eed later door alle artsen diende te worden afgelegd.

Deze eed behoort tot de geschriften die worden toegeschreven aan Hippocrates zelf.

Recentere studies situeren de eed echter in pythagoreïsche kringen. Een argument voor deze stelling is de strenge afkeuring van zelfmoord en de hulp bij zelfdoding in de eed terwijl in de oudheid zelfmoord in principe niet als een fout, een misstap werd ervaren. Evenmin was in de oudheid abortus strafbaar, het behoorde tot de dagelijkse realiteit, meestal uitgevoerd door ervaren vroedvrouwen, bijgestaan door artsen bij moeilijke gevallen, zo blijkt uit het Corpus Hippocraticum. Dat ook abortus in de eed streng verboden wordt zou eveneens een element zijn uit de pythagoreïsche filosofie volgens dewelke het ongeboren kind als een levend wezen werd beschouwd. Ook het verbod op chirurgische ingrepen en het operatief verwijderen van nierstenen zou pythagoreïsch zijn. De pythagoreeërs stonden vooral een behandeling aan de hand van diëten voor. Nochtans behoorde het chirurgisch ingrijpen tot de normale praktijk van de Hippocratische artsen.

Ook indien deze eed oorspronkelijk voor een esoterische kring van (pythagoreïsche) artsen bedoeld was en gedeeltelijk in tegenspraak is met wat ons bekend is over de in de oudheid geldende medische kennis bewijst het feit dat de eed werd opgenomen in het Corpus Hippocraticum toch dat de erin geformuleerde ethische principes (eerbiedigen van het beroepsgeheim en de persoonlijke levenssfeer van de patiënt, vóór alles het belang van de zieke dienen, ...) in de oudheid algemeen geldend waren. Later werden deze ethische beginselen integraal overgenomen in de christelijke moraal. In een middeleeuws handschrift bestaat een christelijke versie van deze eed : de heidense goden in de aanvang van de eed werden vervangen door God en Christus.

Ook de huidige geneeskundige plichtenleer heeft als centraal uitgangspunt het belang van de patiënt.

Corpus Hippocraticum 

Er zijn een 60-tal medische traktaten bewaard die, hoewel ze aan hem worden toegeschreven, onmogelijk allemaal van de hand van Hippocrates kunnen zijn. Dit maakt dat er naast een

Homerische kwestie ook een Hippocratische kwestie is. Het zou ons echter te ver leiden hierop in te gaan.

Eveneens wordt hier niet dieper ingegaan op de in de boeken beschreven ziekteleer, diagnostiek en behandeling.

Dit Corpus werd in de hellenistische periode in Alexandrië samengesteld en bestudeerd door filologen. Het werd ons overgeleverd via middeleeuwse handschriften.

De verschillende boeken vormen een eenheid door het feit dat de geneeskunde rationeel wordt benaderd, wars van alle magie. Verschillend woordgebruik en contradictorische stellingen verraden echter het feit dat verschillende auteurs aan het werk waren.

Een niet onbelangrijke antieke bron, de filosoof Aristoteles, schrijft een van de boeken van het Corpus toe aan Polybos, leerling en schoonzoon van Hippocrates (zie hoger), en hij noemt ook nog een andere leerling als auteur.

De meeste boeken werden geschreven tijdens Hippocrates' leven, sommigen worden gedateerd ten tijde van Aristoteles of later.

De diversiteit tussen de boeken bestaat ook in de bestemming ervan en hun inhoud. Sommigen zijn bestemd voor een breed publiek, andere boeken zijn gericht op een (meer) gespecialiseerd publiek, nl. (leerlingen-)artsen.

Dat de in het Corpus Hippocraticum behandelde onderwerpen zeer divers zijn ligt aan feit dat de Griekse artsen de algemene geneeskunde beoefenden in tegenstelling tot de Egyptische geneeskunde die wel specialismen kende.

De uitoefening van de geneeskunde binnen het Hippocrates denken

Toegang tot het beroep

In het antieke Griekenland bestond er geen officiële titel die toeliet de geneeskunde uit te oefenen. Om het even wie kon zich vestigen. Het volstond zich te voorzien van een lokaal en een uithangbord zoals ons in een antieke bron is overgeleverd. Dit in tegenstelling tot Egypte waar er een staatsgeneeskunde bestond en waar de artsen straffen, tot zelfs de doodstraf, konden oplopen wanneer ze zich niet hielden aan de traditionele behandelingen. De arts in de Griekse steden riskeerde geen enkele straf. Hij kon alleen zijn goede reputatie verliezen. Daarom was het heel belangrijk voor de arts om ook met veel overredingskracht te kunnen spreken, vandaar de studie van de retorica (zie hoger). Hij moest steeds het vertrouwen winnen niet alleen van zijn patiënt maar ook van heel zijn entourage en soms zelfs van een heel publiek van nieuwsgierigen. In de oudheid was de arts immers nooit alleen met zijn patiënt.

Ten tijde van Hippocrates waren de artsen mannen. De eerste getuigenis over een vrouwelijke arts dateert uit het midden van de IVde eeuw voor Chr.

De publieke geneesheer

Vanaf de VIde eeuw voor Chr. (zeker tot de IVde eeuw voor Chr.) namen de Griekse steden een publieke geneesheer in dienst, een functie die in onze samenleving onbekend is. Deze

geneesheer, zo lezen wij bij Xenophon, stond in voor de medische verzorging van de bevolking van de stad maar kon ook meegestuurd worden bij militaire expedities om de gewonde soldaten van de stad te verzorgen.

Sommigen menen dat de reden voor de creatie van een dergelijke functie zou te vinden zijn in het tekort aan artsen in die periode. Anderen denken dat het eerder ingegeven is door het grote aantal kwakzalvers die zich uitgaven voor geneesheer. Door een arts te benoemen in dienst van de stad waren de inwoners zeker steeds op tenminste één competente arts te kunnen beroep doen.

De publieke geneesheer oefende minstens gedurende één jaar zijn functie uit maar kon tot zelfs twintig jaar in dienst van dezelfde stad werken. Merkwaardig is wel dat hij niet door specialisten werd verkozen maar, zoals de politici, bij een democratische stemming door de inwoners van de stad. Hiertoe moest hij hen overtuigen van zijn competentie, van de waarde van zijn leermeester en van het feit dat hij zelf niet ziek was. Een zieke arts werd toen immers beschouwd als een slechte arts aangezien hij niet in staat was zichzelf te genezen.

Het medisch kabinet

Het medisch kabinet van de arts ten tijde van Hippocrates is niet te vergelijken met dat van de huidige artsen. Gezien er in het klassieke Griekenland geen gespecialiseerde geneeskunde bestond was het medisch kabinet tegelijk een (gewone) consultatieruimte en een soort kliniek vol (soms volumineuze) instrumenten om o.m. fracturen en luxaties te behandelen. Ook bevonden zich daar de producten om medicatie aan te maken. Het was dus ook een apotheek. In het medisch kabinet bevonden zich naast de arts en zijn patiënt, ook de helpers van de arts, de leerling(en) van de arts, wellicht ook de naaste verwanten van de patiënt, misschien ook wel enkele nieuwsgierigen en uiteraard de op hun beurt wachtende patiënten.

Over de inrichting en de organisatie van het medisch kabinet krijgen wij de eerste heel precieze beschrijving in het Corpus Hippocraticum. Het moet een goed georiënteerd lokaal zijn, zonder tocht en vooral met veel licht, maar zonder dat het zonlicht de ogen van de patiënten kan beschadigen. Licht was zeer belangrijk voor het uitvoeren van operaties. Er werd zowel met natuurlijk licht als met kunstmatig licht gewerkt. Dit laatste bestond in toortsen die ofwel recht voor ofwel schuin naast of achter de patiënt werden vastgehouden. Er werd volgens Galenus bijna altijd direct licht gebruikt om zo optimaal mogelijk te kunnen werken. Maar bij de keuze van het gebruikte licht werd ook rekening gehouden met de pijn en de schroom die de patiënt voelde wanneer bepaalde lichaamsdelen werden onderzocht of geopereerd.

Zoals aangehaald stonden in het medisch kabinet ook, per soort, de producten opgesteld om medicatie aan te maken. De meeste van deze producten waren laxerende substanties. De arts was dus tegelijk apotheker. Daarnaast zouden er ook een soort geneesmiddelenverkopers (Aristoteles vernoemt hen "pharmacopoles", afgeleid van het Griekse woord "pharmakon" dat echter zowel "geneesmiddel" als "vergif" betekent) geweest zijn, zij werden beschouwd als leugenachtige marktverkopers.

In het medisch kabinet bevinden zich ook alle courante kleine instrumenten voor kleine ingrepen : rechte, gebogen, gepunte, ... scalpels, ventouses, brandijzers, tangetjes om tanden uit te trekken, ... Alles moest zo hygiënisch mogelijk worden gehouden, vooral de kompressen, verbanden, ... die werden gebruikt bij de verzorging van (geïnfecteerde) wonden.

Daarnaast stonden ook verschillende grote machines met haspels en hefbomen opgesteld in het kabinet. Deze dienden om fracturen en luxaties te behandelen.

De taken van de "stille", voor ons anoniem gebleven, helpers van de geneesheer ('hyperetai' genoemd in de oudheid, misschien slaven in dienst van de arts of vrije mannen) bestonden erin bij operaties snel de nodige instrumenten aan de arts aan te geven, de patiënt die men toen nog niet kon verdoven vast te houden bij pijnlijke of moeilijke ingrepen of de arts te helpen bij het behandelen van fracturen en luxaties. Hiervoor deed de arts meestal beroep op twee (of meer ?) fysiek sterke mannen die, zo blijkt uit de bronnen, over een degelijke medische kennis beschikten.

Opvallend is dat in heel het Corpus Hippocraticum bijna geen melding wordt gemaakt van de (hevige) pijn die patiënten leden bij operaties, en dit terwijl het woord 'pijn' (odunè) meer dan 700 maal in het werk voorkomt. Het gaat telkens om 'pijn' als symptoom van een ziekte. Dat geopereerden pijn leden werd als zo normaal beschouwd dat het niet werd vermeld.

Niet te verwarren met de 'hyperetai' zijn de 'mathetai', de leerlingen van de arts, zijn zoon/zonen en andere leerlingen, die hun leermeester observeerden en zich oefenden in het bedienen van de verschillende medische instrumenten.

In dit kader was het dat de arts in de oudheid de geneeskunde uitoefende. Hij zelf moest er goed uitzien (Een goede geneesheer hoorde zelf niet ziek te zijn !). Hij moest ernstig en sereen zijn, hij mocht niet ruw zijn maar toch niet te joviaal ook. Het belangrijkste voor het prestige en de reputatie van de arts was de manier waarop hij operaties uitvoerde. Het Corpus Hippocraticum geeft een haarfijne beschrijving van de houding in dewelke een chirurg zijn patiënten, zowel zittend als staand, diende te opereren. Ook de houding en de bewegingen van zijn handen worden beschreven.

Meer dan in de huidige geneeskunde vormde het aanleggen van een verband een belangrijke medische (be)handeling. Dit gebeurde voornamelijk bij sport- en arbeidsongevallen. Het meest courant waren echter de oorlogsblessures die verzorgd werden door de publieke geneesheer van de stad die meeging op expeditie (zie hoger). Het Corpus Hippocraticum geeft precieze aanwijzingen over de verschillende technieken en 'figuren' om verbanden aan te leggen en spoort de artsen aan om niet een indrukwekkend en sensationeel effect na te streven maar een verband aan te leggen dat de patiënt verlicht en helpt.

Het meest spectaculair was het zogenaamd corrigeren van afwijkingen in de wervelkolom door de patiënt omgekeerd op te hangen aan een soort ladder die dan vanuit de hoogte met een zekere snelheid naar beneden werd gelaten door middel van een systeem van katrollen. Dit gebeurde niet in het kabinet van de arts maar in open lucht voor het oog van een groot publiek. Hier nam de geneeskunde theatrale vormen aan, en dit niet zonder gevaar voor de patiënt. Artsen die deze technieken toepasten worden in het Corpus Hippocraticum afgewezen daar ze enkel erop uit zijn zichzelf in de kijker te plaatsen in plaats van het belang van de patiënt te dienen.

De arts op huisbezoek

Helemaal anders was het wanneer de arts op huisbezoek ging. Dan had hij enkel zijn trousse mee met de nodige instrumenten. Hij trad, wellicht vergezeld van één of meerdere helpers en leerlingen, een voor hem onbekend huis binnen waar hij de (bedlegerige) patiënt vond te midden van zijn entourage (bestaande uit familie, buren en vrienden). Het kwam erop aan van

hen respect en vertrouwen af te dwingen. De arts krijgt in het Corpus Hippocraticum een hele reeks raadgevingen over hoe hij snel en correct kan optreden. Hij moet onverstoorbaar blijven bij de tumult die kan ontstaan doordat er teveel leerlingen aanwezig zijn of bij de opmerkingen van soms ook bij de patiënt aanwezige collega's die hun visie geven.

Van kapitaal belang voor de reputatie van de arts was op dat moment de prognose.

Prognose

Reeds in de Ilias verklaren zieners waarom de soldaten getroffen worden door bepaalde ziekten. De prognose door de arts loopt hiermee gelijk in die zin dat ook zij gebaseerd is op de kennis van het verleden, het heden en de toekomst. Waar de zieners zich steunden op tekenen die ze van de goden kregen, steunen de Hippocratische artsen zich nu op de symptomen die ze afleiden uit de toestand van de patiënt. Deze is uiteraard het meest geïnteresseerd in de toekomst, in de evolutie van zijn ziekte. Maar het maakte indruk wanneer de arts aan de patiënt, zonder dat deze iets hoefde uit te leggen, kon zeggen welke pijn of ongemakken hij had gevoeld in het verleden of voelde op het moment van zijn bezoek.

Sommige artsen, soms bij gebrek aan cliënteel, weerlegden een negatieve prognose van een collega om ten dode opgeschreven patiënten nog hoop te geven. Ook hier wordt er in het Corpus Hippocraticum de nadruk op gelegd enkel het belang van de patiënt te dienen en prognoses uitsluitend te baseren op medische kennis. Een goede geneesheer gaf een duidelijke en precieze prognose en dit kon alleen maar de bewondering en het vertrouwen van de patiënt en zijn entourage wekken.

Een gedreven Hippocratische geneesheer diende vooral ook snel een prognose te kunnen geven door de patiënt te observeren 'op afstand', dus zelfs voor hij hem ook maar had aangeraakt..

Noodlottige prognose en beslissing om niet te behandelen

Op basis van een dergelijke prognose 'op afstand' werd soms zelfs beslist om een zieke niet verder te behandelen, iets wat in de moderne geneeskunde ondenkbaar is. De Hippocratische geneeskunde vertrok van de stelling dat de grenzen van de geneeskunde voor eens en voor goed vastlagen en achtte het ondenkbaar dat deze door verder onderzoek van de therapeutische mogelijkheden zouden kunnen verlegd worden. Zo maakte Plato, en ook latere artsen uit de hellenistische periode en zelfs Galenus in de Romeinse tijd een duidelijk onderscheid tussen het mogelijke en het onmogelijke : patiënten die reeds door de ziekte waren overwonnen konden niet meer worden behandeld. Toch dient dit genuanceerd te worden. Er waren ook Hippocratische artsen die het wel aandurfden moeilijke gevallen te verzorgen met het risico dat de behandeling faalde.

Bij zijn beslissing de patiënt al of niet te behandelen dook steeds weer de vraag op of de arts zijn reputatie zou weten hoog te houden. In een periode waar de verantwoordelijkheid en de aansprakelijkheid van de arts niet door wetgeving was geregeld en waar professionele fouten niet werden gesanctioneerd, was de sociale druk enorm (zie de laatste alinea van de eed van Hippocrates). De eerste ethische bekommernis van de Hippocratische geneesheer was echter niet zijn reputatie noch de 'geneeskunst' maar wel het belang van de zieke.

Het cliënteel

In zijn Wetten stelt Plato dat slaven werden verzorgd door helpergeneesheren die zelf eveneens slaven waren en die zich ook arts noemden. Zij deden zowel huisbezoeken als

raadplegingen in het kabinet van hun meester-geneesheer. De vrije geneesheren verzorgden 'meestal', zo voegt Plato toe, vrije personen. De Hippocratische overlevering geeft ons een genuanceerder beeld. Vrije artsen verzorgden zeker niet uitsluitend vrije personen. Slaven werden ook verzorgd door vrije artsen voor zover hun meester bereid was de kosten voor de consultatie(s) en de verzorging te betalen. Xenophon schrijft dat het de plicht is van een goede meester zijn zieke slaven te (laten) verzorgen. In het Corpus Hippocraticum wordt nergens gesuggereerd dat de helpergeneesheren een eigen cliënteel zouden hebben en worden ze duidelijk onderscheiden van de (echte) artsen.

In tegenstelling tot Plato onderstreept het Corpus Hippocraticum juist de gelijke behandeling van vrijen en slaven door de artsen. De medische fiche van een gebrandmerkte slaaf (Deze werden beschouwd als slechte slaven daar zij reeds waren gevlucht uit het huis hun meester) geeft de volledige evolutie van zijn ziekte. Hieruit blijkt dat de arts deze patiënt, een goedkope slaaf, gedurende langere tijd moet hebben gevolgd. In het Corpus Hippocraticum wordt ook het onderscheid gemaakt tussen mannen/vrouwen vrijen/slaven bij epidemiologische analyses. De auteur probeert een verklaring te vinden waarom bv. vrije vrouwen bijna geen keelontstekingen kregen en vrouwelijke slaven wel.

Vrouwelijke patiënten bleken zeer terughoudend te zijn wat betreft het raadplegen van een arts als het om specifieke vrouwenziekten ging. Zij probeerden zich in eerste instantie te behelpen door ervaringen uit te wisselen met andere vrouwen. De artsen respecteerden ook deze schroom van de vrouwen. Bevallingen en zwangerschapsafbrekingen werden meestal uitgevoerd door vroedvrouwen.

Het Corpus Hippocraticum getuigt van het feit dat ook 'vreemde' patiënten, zelfs 'vreemde' slaven die in de stad vertoefden door de artsen werden verzorgd. Overeenkomstig de eed van Hippocrates pasten de Hippocratische artsen dus ook in de praktijk het principe toe om iedereen zonder onderscheid man of vrouw, vrije of slaaf, arm of rijk, Griek of vreemdeling, de beste zorgen toe te dienen. De patiënt wordt steeds aangeduid met het woord 'anthropos' wat erop wijst dat het eerst en vooral om de 'mens' ging ongeacht zijn sociale status, ras, godsdienst, ....

De honoraria

In het Corpus Hippocraticum blijft het opvallend stil als het gaat over de honoraria van de artsen. Latere auteurs zoals o.m. Aristoteles, Plato, Euripides, Aristophanes getuigen echter allemaal dat de artsen zich (goed) lieten betalen. Vandaar dat zowel Plato als sommige Hippocratische auteurs alluderen op het grote verschil tussen de rijken en de minder bemiddelden die niet over voldoende tijd en middelen beschikten om hun gezondheid degelijk te verzorgen. Overeenkomstig de Hippocratische traditie die van oorsprong aristocratisch was hadden de artsen zeker een welstellend cliënteel maar belette dit hen niet ook mensen te verzorgen met een bescheidener inkomen en hun honoraria in functie daarvan aan te passen. De Hippocratische geschriften gaan in tegen het negatief beeld van de begerige arts en stelt dat de arts eerst en vooral de zieke hulp moet bieden en zelfs gratis zorgen moet toedienen indien nodig. Toch zal de geneesheer in de oudheid in realiteit eerder een milde aristocraat geweest zijn dan een geneesheer voor het volk.

Verbod op het uitvoeren van abortus en het toedienen van dodelijke (genees-)middelen

Het absoluut verbod in de eed op het door de arts verstrekken van een dodelijk (genees-)middel aan de patiënt of aan derden (zie ook hoger) situeert zich in een klimaat waarin er

maar een heel vage grens bestond tussen geneeskunde en artsenijbereidkunde (zie hoger "de pharmacopoles") en tussen geneesmiddel en vergif. Er bestond totaal geen wetgeving inzake de verkoop van geneesmiddelen. Er was een vrije verkoop van min of meer toxische stoffen die al dan niet met nobele bedoelingen werden aangewend. Nochtans stelt Plato (in zijn Wetten) dat een arts die zijn patiënt een giftig middel, dat zelfs niet dodelijk is, zou toedienen, de doodstraf verdient. Het doden door vergiftiging was zeker strafbaar voor de rechtbank.

Ook het verbod op abortus kadert in een context waarin het helemaal niet zo vanzelfsprekend was een absoluut respect voor het leven te eisen.

Plichten van de arts tegenover de patiënt

De arts streefde ernaar een behandeling voor te schrijven die "nuttig was voor de patiënt of tenminste niet schadelijk". Het doel van de geneeskunde was immers het belang van de patiënt. Hierdoor geeft de Hippocratische geneeskunde blijk van een uitzonderlijke menselijkheid. Zelfs al heeft ze op wetenschappelijk gebied afgedaan toch blijft ze haar waarde behouden als basis van het humanisme en van de rechten van de mens.

De geneeskunde gold als model voor de politiek : ze moest nuttig zijn, niet voor wie ze uitoefende, maar voor diegene op wie ze werd toegepast, de zieke.

Kenmerk voor de Griekse geneeskunde (in tegenstelling tot de Egyptische) was de omzichtigheid , de zachtheid waarmee de patiënt diende te worden behandeld, de natuur mocht niet worden geforceerd. Het comfort van de patiënt was een belangrijk aandachtspunt. De arts diende het de patiënt zo aangenaam mogelijk te maken : frisse drank, zuivere voeding, nette kamer, ... zaken die nu onder hygiëne worden geklasseerd. Toch is dit weer een bewijs van de menselijkheid van de hippocratische geneeskunde, van de zorg om het vertrouwen van de patiënt te winnen en ook van de overtuiging dat een goede moraal zeker bijdroeg tot een snellere genezing.

Relatie arts-patiënt en informed consent

Belangrijk was zoals reeds hoger gezegd de kunst van het woord. De arts moest de patiënt en de rond hem aanwezige vrienden en kennissen zien te overtuigen een vies drankje te drinken of een chirurgische ingreep of een behandeling met een gloeiend ijzer te ondergaan. Hij diende dus over een grote overredingskracht te beschikken. Sommige artsen lieten zich zelfs vergezellen door iemand die bijzonder bekwaam was in de welsprekendheid.

Het voornaamste van deze welbespraaktheid was door een dialoog met de patiënt de informatie te verkrijgen die de arts nodig had om tot een juiste diagnose en prognose te komen. Deze dialoog, zo schrijft één van de auteurs in het Corpus Hippocraticum, bestond er niet alleen in de patiënt precieze vragen te stellen maar ook heel goed te kunnen luisteren en de antwoorden van de patiënt op de juiste manier te kunnen interpreteren.

Plichten van de patiënt

De arts en de patiënt bestreden samen de ziekte. Niet alleen de arts had zijn verantwoordelijkheid, ook de zieke had de plicht bij te dragen tot zijn genezing.

Naast de deontologie van de arts was er een deontologie van de patiënt en zelfs van zijn entourage. Deze deontologie wordt in het Corpus Hippocraticum niet expliciet uiteengezet gezien dit een reeks boeken was bestemd voor artsen. Hier en daar zijn echter toch (positieve) aanbevelingen voor de patiënt (medewerking bij moeilijke of pijnlijke operaties, ...) te vinden

of, wat meer voorkomt, worden de houding en de reacties van de patiënt afgekeurd. De relatie arts-patiënt was blijkbaar niet altijd zo ideaal.

Fouten van de patiënt

Wanneer het lukte om de medewerking van de patiënt te bekomen in aanwezigheid van de arts (bij een operatie), bleek het voor de patiënt veel moeilijker om in afwezigheid van de arts zijn voorschriften op te volgen, vooral wanneer het om een langdurige behandeling ging. De Hippocratische artsen beklaagden er zich over dat de patiënten slordig waren en regelmaat misten bij het volgen van de behandeling. Alleen wanneer ze hevige pijn voelden of angst voor de dood hielden zij zich nauwgezet aan de therapie maar zodra de pijn minderde sloegen ze alle voorschriften in de wind. Meer nog, om hun ongehoorzaamheid te verbergen, namen ze soms zelfs hun toevlucht tot leugens met voor sommige patiënten de dood tot gevolg.

Het behoorde ook tot de Hippocratische geneeskunst rekening te houden met de fouten en de zwakheden van de zieke. Het vroeg van de arts doorzicht in de psychologie van de patiënt wiens therapie hij na het stellen van de diagnose door regelmatige en zorgvuldige controle diende op te volgen.

Fouten van de arts

Het Corpus Hippocraticum wijst erop dat vaak aan de arts de schuld werd gegeven voor de dood van een patiënt terwijl de ware oorzaak lag in het feit dat de patiënt niet nauwgezet de therapie had gevolgd. In het klassieke Griekenland werd de arts nog niet vervolgd voor professionele fouten maar dergelijke beschuldigingen schaadden wel zijn reputatie (zie hoger).

Toch verwijten de Hippocratische geschriften ook aan sommige artsen onverschilligheid, gebrek aan regelmaat en zorgeloosheid. Hiervoor wordt een veel sterkere term uit de militaire sfeer gebruikt : terwijl de niet plichtbewuste patiënt onachtzaam wordt genoemd, wordt de niet plichtbewuste arts het woord "deserteur" gebruikt. De artsen hebben echter niet zoals de patiënt het excuus onwetend te zijn en de aangerichte schade aan de gezondheid van de patiënt was vaak onherstelbaar.

Besluit

In de context van een dergelijke visie op de mens en de geneeskunde is het dat de eed van Hippocrates dient te worden gelezen. Het is duidelijk dat het Griekse denken ook in de uitoefening van de geneeskunde een onmiskenbare invloed heeft gehad op onze huidige maatschappij en het huidig medisch denken.

 

 

Laatst aangepast op vrijdag, 25 januari 2013 10:21

Maak ons bekend!

Plaats een link naar onze website!

 

Hoe meer mensen over het bestaan van deze website weten, hoe meer personen ons kunnen vinden.

 

Heeft u een website blog of andere social-media en kan u helpen om ons bekender te maken, plaats dan een  linkje naar www.hartziekte.be

 

We zijn u hiervoor zeer dankbaar!

 

Neem eens een kijkje op de website "een hart voor werk". Hier kan je de eind resultaten lezen van het Europees project!

Advertenties

 

Laatste berichten

Meest gelezen

Disclaimer

Alle documenten op deze sites zijn louter informatief en mogen niet als rechtsgeldige beschouwd worden. De vzw kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor de informatie op deze website. Hoewel het onze bedoeling is om bijgewerkte en juiste informatie te verspreiden, kunnen we geen perfect resultaat garanderen. Eventuele onjuistheden die ons worden gesignaleerd, zullen we zo spoedig mogelijk verbeteren.

Powered by Webdesign en fotostudio verhuur onderdeel van PeoplesProjects.