Trombose

In dit onderwerp bedoelen we met trombose "diepe veneuze trombose". Er zijn ook nog andere vormen van trombose. Trombose in de slagaders heet arteriële trombose. Trombose in de oppervlakkige aders heet tromboflebitis. Definitie: Een trombose is een aandoening waarbij zich een bloedklonter in een ader ontwikkelt. Deze klonter of trombus kan de normale bloedsomloop blokkeren en problemen veroorzaken.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen klonters in oppervlakkige aders (oppervlakkige veneuze trombose) en in diepe aders (diepe veneuze trombose of DVT).

Dat bloed kan stollen is bekend: denk maar aan een korstje op een wondje. Ook ín de bloedvaten kan het bloed stollen. Er ontstaan dan bloedpropjes in de bloedvaten. Dit heet trombose.

Zonder behandeling kan het bloedpropje zo groot worden dat het bloedvat verstopt raakt. Er kan dan geen bloed meer door de ader. Of het bloedpropje raakt los van de wand en schiet door naar de longen, het hart of de hersenen waar het blijft steken (embolie).

Trombose ontstaat meestal in de dieper liggende aders. Artsen noemen dit diepe veneuze trombose.

Diepe veneuze trombose komt vooral voor in de benen. De stollingen beginnen in de kuit en kunnen zich uitbreiden naar het bovenbeen. Het been doet pijn, zwelt op en wordt rood.

Een gevaarlijke complicatie bij trombose is een longembolie. Er schiet dan een stukje stolsel los dat via de bloedbaan in de longen terechtkomt.

In dit onderwerp bedoelen we met trombose diepe veneuze trombose. Er zijn ook nog andere vormen van trombose. Trombose in de slagaders heet arteriële trombose. Trombose in de oppervlakkige aders heet tromboflebitis.

Wat merkt u van trombose?

Mensen met trombose kunnen verschillende klachten krijgen:

• Pijn in een been

• Zwelling van het been

• Uitgezette aders aan het huidoppervlak

• Blauw-rode verkleuring van de huid

• Huid die warm aanvoelt

• Zware benen

Deze klachten kunnen ook een andere oorzaak hebben, bijvoorbeeld een zweepslag of een ontsteking van de huid. Met deze klachten moet u zich altijd laten onderzoeken. Want bij trombose kan een gevaarlijke situatie ontstaan: een stukje stolsel kan loslaten en via het bloed in de longen terechtkomen. Dit heet een longembolie. U krijgt dan last van kortademigheid en pijn bij hoesten of zuchten.

Tot twee jaar na trombose kunt u nog last krijgen van het posttrombotisch syndroom.

Hoe ontstaat trombose?

Trombose kan op verschillende manieren ontstaan. Mogelijke oorzaken zijn:

• Chirurgie: de meeste bloedklonters in de aders ontwikkelen zich na een operatie, vooral orthopedische chirurgie zoals vervanging van een heup of een knieoperatie

• Beperkte beweging door ouderdom of verlamming

• Personen met een voorgeschiedenis van DVT of longembolie

• Spataders

• Bepaalde kankers

• Hartziekte

• Zwangerschap

• Anticonceptiepil, vooral in combinatie met roken

• Hormoontherapie

• Zwaarlijvigheid

• Lange vliegtuigreizen

• Erfelijke stollingsstoornissenHet risico op trombose neemt toe met het ouder worden.

Hoe stelt de arts vast dat u trombose hebt?

Om vast te stellen of u trombose hebt, onderzoekt de arts uw been. Ook stelt zij u een aantal vragen. Bij twijfel kan zij dan nog een bloedtest doen. Bij de vorming van stolsels komt namelijk een bepaald stofje vrij. Zit er veel van dit stofje in het bloed dan hebt u waarschijnlijk trombose.

Bij het vermoeden van trombose stuurt de arts u door naar het ziekenhuis. Daar bekijkt de specialist de aderen met een echo.

Behandeling van diepveneuze trombose

De behandeling van diepveneuze trombose richt zich op voorkoming van longembolie. In eerste instantie kan opname in het ziekenhuis nodig zijn, maar door verbeterde behandelmethoden kunnen sommige mensen met diepveneuze trombose ook thuis worden behandeld. Om te voorkomen dat het stolsel groter wordt, is meestal bedrust nodig, waarbij het voeteneinde van het bed zo'n 15 centimeter wordt verhoogd, en gewoonlijk worden antistollingsmiddelen voorgeschreven. De antistollingsbehandeling begint meestal met een onderhuidse injectie met laagmoleculair heparine, gevolgd door een oraal cumarinederivaat. Hoe lang de patiënt een cumarinederivaat moet blijven gebruiken, hangt van de situatie af. Jonge, actieve patiënten die slechts één aanval van diepveneuze trombose hebben gehad, hoeven het middel misschien maar twee maanden te blijven slikken. Patiënten die een aanval hebben gehad die werd gevolgd door longembolie, hebben een blijvend verhoogd risico van diepveneuze trombose. Daarom moeten zij het middel soms zes maanden blijven gebruiken. Patiënten die twee of meer aanvallen hebben gehad, moeten voor onbepaalde tijd een cumarinederivaat blijven innemen.

Het gebruik van cumarinederivaten brengt wel een verhoogd risico van zowel inwendige als uitwendige bloedingen met zich mee. Om dit risico zo gering mogelijk te houden, wordt het bloed van de patiënt regelmatig onderzocht om het stollingsvermogen te bepalen. Op basis van de uitslag wordt de dosis dan aangepast.

Soms worden ook intraveneus stolseloplossende middelen (trombolytica), zoals weefselplasminogeenactivator (tPA) toegediend, vooral als het stolsel nog niet langer dan 48 uur aanwezig is. Na 48 uur begint zich in het stolsel littekenweefsel te vormen, waardoor de kans kleiner wordt dat het stolsel oplost.

Soms wordt er een speciaal filter geplaatst in een grote ader tussen het hart en de plaats waar de diepveneuze trombose is opgetreden; meestal gebeurt dit in de onderste holle ader (vena cava inferior), die het bloed uit de gehele onderste helft van het lichaam terugvoert naar het hart. Zo'n filter kan emboli wegvangen en zo voorkomen dat deze in de longen terechtkomen.

Als er longembolie optreedt, wordt de patiënt gewoonlijk behandeld met zuurstof. Bij levensbedreigende longembolie worden stolseloplossende middelen toegepast of wordt het embolus operatief verwijderd. In uitzonderlijke gevallen wordt ook in een later stadium wel eens een operatie uitgevoerd om stolsels uit de longen te verwijderen.

Zwelling van de benen kan worden verminderd door in bed te gaan liggen met de benen schuin omhoog of door middel van een drukverband vanaf de tenen tot aan de knie. Als een dergelijk drukverband niet correct wordt aangebracht, kan het drukverband sterker gaan drukken op het bovenste deel van de kuit dan op de voet, waardoor het gaat werken als een tourniquet en de bloedvaten afknelt. Daarom mag een drukverband alleen door een ervaren arts of verpleegkundige worden aangelegd. Gedurende deze periode is het belangrijk dat de patiënt veel loopt. Als de zwelling daarna nog niet volledig is verdwenen, moet het verband opnieuw worden aangelegd. De aders herstellen zich nooit volledig van de diepveneuze trombose en operaties om de kleppen in de aders te herstellen bevinden zich nog in het experimentele stadium. Nadat het drukverband is verwijderd, moet de patiënt dagelijks elastische kousen blijven dragen om te voorkomen dat de zwelling terugkeert. Deze kousen hoeven niet tot boven de knie te komen, want zwellingen boven de knie kunnen niet veel kwaad en leiden niet tot complicaties. Het is dan ook meestal niet nodig om dikke elastische kousen of een strakke elastische panty te dragen.

Bij pijnlijke huidzweren kan een op de juiste wijze aangebracht drukverband nuttig zijn. Wanneer een dergelijk verband één- of tweemaal per week wordt aangelegd, verdwijnen de zweren bijna altijd doordat de doorbloeding van de aders wordt bevorderd. De zweren zijn vrijwel altijd geïnfecteerd en bij elke verbandwisseling verschijnt pus en onaangenaam ruikend vocht op het verband. De pus en afscheiding kunnen worden verwijderd door de huid met water en zeep te wassen. Huidcrèmes, bodymilk en andere dermatologische preparaten hebben weinig effect.

Als de doorbloeding van de aders eenmaal is verbeterd, zullen de zweren vanzelf genezen. Daarna kan terugkeer van de zweren worden voorkomen door elastische kousen te dragen. Zodra de elastische kousen te los gaan zitten, moeten ze worden vervangen. Aangeraden wordt om indien mogelijk zeven elastische kousen aan te schaffen (of zeven paar kousen als beide benen zijn aangedaan), één voor elke dag van de week. De kousen gaan dan veel langer mee.

In zeldzame gevallen kunnen zweren die niet genezen, door middel van huidtransplantatie worden behandeld. Na transplantatie moet de patiënt een elastische kous blijven dragen om terugkeer van de zweren te voorkomen.

Leefregels bij trombose

Voor mensen die antistollingsmedicijnen slikken zijn de volgende leefregels van belang:

- Neem uw medicijnen altijd op een vast tijdstip in.

- Bent u de medicijnen vergeten in te nemen? Neem dan contact op met de trombosedienst en vraag wat u moet doen.

- Slik geen andere medicijnen (ook geen pijnstillers) zonder overleg met uw specialist of trombosedienst. Sommige medicijnen hebben effect op de antistollingsmiddelen.

- Waarschuw meteen de huisarts en de trombosedienst bij een ernstige bloeding.

- Houd de trombosedienst op de hoogte van uw gezondheid. Meld het bijvoorbeeld als u ziek bent, een operatie moet ondergaan of een kies moet laten trekken.

- Eet gevarieerd en drink weinig alcohol (maximaal een of twee glazen per dag).

- Rook niet.

- Overleg met de trombosedienst als u van plan bent op vakantie te gaan. Vraag een brief mee en draag altijd een medicijnpaspoort bij u (te krijgen bij uw apotheek).

Erfelijke aanleg en trombose

De laatste jaren is er veel bekend geworden over erfelijke oorzaken die de kans op het krijgen van veneuze trombose verhogen. Als eerste werd ontdekt dat patiënten die een tekort hadden aan antitrombine, proteïne C en proteïne S een 7-8 maal hoger risico hebben op het krijgen van veneuze trombose. Antitrombine, proteïne C en proteïne S zijn natuurlijk aanwezige eiwitten die er voor zorgen dat als de stolling op gang is gekomen deze ook weer afgeremd wordt.

Van meer recente datum is de ontdekking dat kleine veranderingen in stollingsfactor V (FV Leiden) en stollingsfactor II (protrombinemutatie) ook de kans op trombose verhogen met een factor 4-5. Ondanks het feit dat er de laatste tijd veel ontdekt is op het gebied van erfelijkheid en trombose is het bij 50% van de patiënten onbekend waarom ze trombose krijgen.

Preventie

Vliegreizen en trombose

Tijdens lange vliegreizen hebben mensen waarschijnlijk een iets hoger risico op trombose. Dat komt door het lange stilzitten en de droge lucht in het vliegtuig.

De volgende tips helpen trombose voorkómen:

- Doe uw schoenen uit.

- Draag geen strakke kleding.

- Beweeg met uw benen of loop af en toe een stukje.

- Verander uw houding regelmatig.

- Zit niet met uw benen over elkaar geslagen.

- Drink veel water.

- Drink geen koffie en alcohol. Door koffie en alcohol verliest u meer vocht waardoor het bloed wat indikt.

Mensen die een verhoogd risico hebben op trombose kunnen tijdens de vlucht elastische kousen dragen.Vraag uw huisarts of specialist om advies.

 

Laatst aangepast op vrijdag, 25 januari 2013 10:48

Gerelateerde items (op tag)

Advertenties

 

Laatste berichten

Meest gelezen

Disclaimer

Alle documenten op deze sites zijn louter informatief en mogen niet als rechtsgeldige beschouwd worden. De vzw kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor de informatie op deze website. Hoewel het onze bedoeling is om bijgewerkte en juiste informatie te verspreiden, kunnen we geen perfect resultaat garanderen. Eventuele onjuistheden die ons worden gesignaleerd, zullen we zo spoedig mogelijk verbeteren.

Powered by Webdesign en fotostudio verhuur onderdeel van PeoplesProjects.