All Stories

Bestrijding van obesitas

Bestrijding van obesitas - Bij preventieprogramma`s tegen overgewicht en obesitas moet de nadruk vooral liggen op zaken als gezonde voeding en voldoende bewegen en niet zozeer op gewicht en afvallen.

Europees handvest ter bestrijding van obesitas

Als antwoord op de toenemende uitdaging die de obesitasepidemie stelt voor gezondheid, economie en ontwikkeling, verlenen wij, de ministers en vertegenwoordigers die de Europese ministerconferentie van de WGO over de bestrijding van obesitas (Istanbul, Turkije, 15-17 november 2006) bijwonen, in aanwezigheid van de Europese commissaris voor Gezondheid en Consumentenbescherming, hierbij onze goedkeuring, als basis voor ons beleid, aan het volgende Europese handvest ter bestrijding van obesitas. Dit handvest werd opgesteld in dialoog met en na raadpleging van verschillende overheidssectoren, internationale organisaties, deskundigen, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de privésector.

Wij verklaren dat we vastbesloten zijn om de maatregelen ter bestrijding van obesitas te versterken in overeenstemming met dit handvest en dat wij ons ertoe verbinden om dit thema hoog op de politieke agenda van onze regeringen te plaatsen. We doen ook een oproep aan alle partners en belanghebbenden om sterker op te treden tegen obesitas en we erkennen dat het Regionaal bureau van de WGO voor Europa in dit verband een leidende rol zal spelen.

Er is voldoende bewijs ter rechtvaardiging van een onmiddellijk optreden; tegelijkertijd kan door het zoeken naar innovatie, aanpassing aan plaatselijke omstandigheden en nieuw onderzoek naar bepaalde aspecten de doeltreffendheid van de beleidslijnen worden verhoogd.

Obesitas is een algemeen probleem voor de volksgezondheid; we erkennen dat een Europees optreden een voorbeeldrol kan spelen en aldus wereldwijde inspanningen kan mobiliseren.

1. DE UITDAGING

We erkennen het volgende:

1.1 De obesitasepidemie is een van de ernstigste uitdagingen voor de volksgezondheid in de Europese Regio van de WGO.

De prevalentie van obesitas is in de voorbije twee decennia verdrievoudigd. De helft van alle volwassenen en een vijfde van de kinderen in de Europese Regio van de WGO lijden aan overgewicht. In deze groep lijdt een derde al aan obesitas, en hun aantal groeit snel aan. Overgewicht en obesitas leiden tot een groot aantal niet-overdraagbare ziekten, verkorten de levensverwachting en hebben een negatieve invloed op de levenskwaliteit. Jaarlijks zijn meer dan één miljoen sterfgevallen in de Regio te wijten aan ziekten in verband met overgewicht.

1.2.De trend is bijzonder alarmerend bij kinderen en jongeren, omdat zij de epidemie meenemen naar hun volwassen leven en zo een groeiend gezondheidsprobleem vormen voor de volgende generatie. Het jaarlijkse stijgingspercentage in de obesitasprevalentie bij kinderen neemt hand over hand toe en is momenteel tienmaal hoger dan in 1970.

1.3 Obesitas heeft ook een sterke invloed op de economische en sociale ontwikkeling. Obesitas en overgewicht bij volwassenen zijn verantwoordelijk voor maar liefst 6% van de uitgaven in de gezondheidszorg van de Europese Regio; bovendien veroorzaken ze indirecte kosten (door het verlies van mensenlevens, productiviteit en het daarbij behorende inkomen) die minstens twee keer hoger liggen. Overgewicht en obesitas komen het vaakst voor bij mensen in sociaal benadeelde groepen, wat opnieuw bijdraagt tot meer ongelijkheid op het vlak van gezondheid en op andere gebieden.

1.4 De epidemie heeft zich de voorbije decennia sterk verspreid ten gevolge van wijzigingen in de sociale, economische, culturele en fysieke omgeving.

Door een dramatische afname van de lichaamsbeweging en door gewijzigde voedingspatronen, waaronder een hoger verbruik van energierijke, voedingstofarme levensmiddelen en dranken (met een hoog gehalte aan vetten, verzadigde vetzuren, transvetten, zout en suikers) in combinatie met een te lage consumptie van fruit en groenten is er bij de bevolking een verstoring van het energie-evenwicht ontstaan. Volgens de beschikbare gegevens neemt in de meeste landen van de Europese Regio van de WGO twee derde van de volwassen bevolking te weinig lichaamsbeweging om hun gezondheid te bevorderen en te behouden, en behaalt het verbruik van fruit en groenten in slechts enkele landen het aanbevolen niveau. De obesitasepidemie kan niet verklaard worden door te verwijzen naar genetische aanleg alleen, maar moet ook worden bekeken in de context van de sociale, economische, culturele en fysieke omgeving.

1.5 Een internationaal optreden is essentieel ter ondersteuning van de nationale maatregelen. Obesitas is niet langer een syndroom van welvarende gemeenschappen; deze kwaal neemt ook uitbreiding in ontwikkelingslanden en in landen die een economische groei meemaken, vooral in de context van de globalisering.

Sectoroverschrijdende maatregelen vormen een verdere uitdaging, en geen enkel land is er tot dusver in geslaagd om de epidemie te beheersen. Een sterk internationaal gecoördineerd optreden ter bestrijding van obesitas vormt zowel een uitdaging als een kans, omdat veel belangrijke maatregelen grensoverschrijdend van aard zijn en internationale effecten sorteren.

2. HANDELINGSMOGELIJKHEDEN: doelstellingen, beginselen en een kader voor actie

2.1 De obesitasepidemie is omkeerbaar. Het is mogelijk om deze trend te keren en de epidemie in te dammen. Dat kan uitsluitend gebeuren door uitgebreide maatregelen, omdat de kern van het probleem te vinden is in de snel evoluerende sociale, economische en door het milieu bepaalde determinanten van de levenswijze van de mensen. De doelstelling bestaat erin om gemeenschappen te vormen waarin een gezonde levenswijze in verband met voeding en lichaamsbeweging de norm is, waar gezondheidsdoelstellingen afgestemd zijn op de doelstellingen van economie, gemeenschap en cultuur en waar gezonde keuzes voor iedereen toegankelijker en gemakkelijker gemaakt worden.

2.2 Het uiteindelijke doel van het optreden in de Regio is de inperking van de epidemie en de omkering van de trend. Zichtbare vooruitgang, vooral bij kinderen en jongeren, moet de volgende 4-5 jaar gerealiseerd kunnen worden in de meeste landen. De trend zou tegen uiterlijk 2015 gekeerd kunnen zijn.

2.3 De volgende beginselen dienen de maatregelen in de Europese Regio van de WGO te leiden:

2.3.1 Vastbeslotenheid en leiderschap op het hoogste politieke niveau en een sterk engagement van de gehele overheid zijn noodzakelijk voor sectoroverschrijvende mobilisatie en synergiën.

2.3.2 Maatregelen tegen obesitas moeten worden gekoppeld aan globale strategieën voor de aanpak van niet-overdraagbare ziekten en activiteiten die de gezondheid bevorderen, en ze moeten worden gekoppeld aan de bredere context van duurzame ontwikkeling. Een betere voeding en lichaamsbeweging zullen, naast de voordelen die zij bieden in verband met een vermindering van overgewicht en obesitas, ook een essentiële en vaak snelle invloed hebben op de volksgezondheid.

2.3.3 Er moet een evenwicht tot stand komen tussen de verantwoordelijkheid van het individu en die van de overheid en de maatschappij. Het individu als enige verantwoordelijk stellen voor zijn obesitas mag niet geaccepteerd worden.

2.3.4 Het is essentieel om de genomen maatregelen in te passen in de culturele context van elk land of elke regio en te beklemtonen dat een gezonde voeding en lichaamsbeweging vreugde verschaffen.

2.3.5 Het zal van essentieel belang zijn om samenwerkingsverbanden tot stand te brengen tussen alle belanghebbenden, waaronder de overheid, het maatschappelijk middenveld, de privésector, professionele netwerken, de media en internationale organisaties, op alle niveaus (nationaal, regionaal en lokaal).

2.3.6 Beleidsmaatregelen moeten worden gecoördineerd in de verschillende delen van de Regio, vooral om te voorkomen dat de marktdruk voor energierijke levensmiddelen en dranken verschuift naar landen met een minder gereguleerde omgeving. De WGO kan een rol spelen bij de facilitering en ondersteuning van de intergouvernementele coördinatie.

2.3.7 Bijzondere aandacht dient te gaan naar kwetsbare groepen zoals kinderen en jongeren, van wie de onervarenheid of goedgelovigheid niet mag worden uitgebuit door commerciële activiteiten.

2.3.8 Hoge prioriteit moet ook gegeven worden aan de ondersteuning van sociaal benadeelde bevolkingsgroepen die geconfronteerd worden met meer hindernissen en beperkingen bij het maken van gezonde keuzes. Een gemakkelijker toegang en betere betaalbaarheid van gezonde keuzes moet daarom een centrale doelstelling zijn.

2.3.9 De gevolgen voor de doelstellingen van de volksgezondheid dienen bij voorrang in aanmerking te worden genomen tijdens de ontwikkeling van het economisch beleid. Dit geldt ook voor het beleid op het stuk van handel, landbouw, transport en stadsplanning.

2.4 Een kader dat de belangrijkste actoren, beleidsinstrumenten en omgevingen aan elkaar koppelt is nodig om deze beginselen in daden om te zetten.

2.4.1 Alle relevante overheidssectoren en niveaus dienen een rol te spelen. Om deze samenwerking mogelijk te maken dienen de gepaste institutionele processen tot stand te worden gebracht.

– Ministeries van Volksgezondheid dienen het voortouw te nemen bij de aanbeveling, stimulering en begeleiding van sectoroverschrijdende maatregelen. Zij dienen het goede voorbeeld te geven door gezonde keuzes gemakkelijker te maken voor de werknemers van de gezondheidssector en gebruikers van de gezondheidszorg. Het volksgezondheidsstelsel speelt ook een belangrijke rol in de omgang met mensen met een hoog risico en mensen die al aan overgewicht en obesitas lijden, doordat het preventiemaatregelen kan opstellen en aanbevelen en doordat het diagnose, screening en behandeling kan aanbieden.

– Alle relevante ministeries en agentschappen zoals die voor landbouw, voeding, financiën, handel en economie, consumentenzaken, ontwikkeling, transport, stadsplanning, onderwijs en onderzoek, sociaal welzijn, arbeid, sport, cultuur en toerisme kunnen een essentiële rol vervullen bij de ontwikkeling van beleidslijnen en maatregelen die de gezondheid bevorderen. Dat zal ook leiden tot voordelen in hun eigen domein.

– Lokale instanties hebben een groot potentieel en kunnen een belangrijke rol spelen in het scheppen van een omgeving die kansen biedt tot lichaamsbeweging, een actief leven en een gezonde voeding, en zij dienen daarvoor de nodige ondersteuning te krijgen.

2.4.2 Het maatschappelijk middenveld kan het basisbeleid ondersteunen. De actieve betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld is belangrijk voor de bevordering van de bewustwording van het publiek, het eisen van maatregelen en als bron van innovatieve benaderingen. Ook niet-gouvernementele organisaties kunnen strategieën ter bestrijding van obesitas ondersteunen. Werkgevers-, consumenten-, ouder-, jeugd- en

sportverenigingen en andere verenigingen en vakbonden kunnen elk een specifieke rol spelen. Verenigingen van gezondheidswerkers dienen ervoor te zorgen dat hun leden volop betrokken worden bij preventieve acties.

2.4.3 De privésector dient een belangrijke rol te spelen en mee verantwoordelijkheid te dragen in de opbouw van een gezondere omgeving en de bevordering van gezonde keuzes op de werkplek.

Dit geldt voor ondernemingen in de hele voedselketen, van primaire producenten tot detailhandelaren. De maatregelen dienen te worden toegespitst op de hoofddomeinen van hun activiteiten, zoals fabricage, marketing en productinformatie, terwijl ook de consumentenvorming een rol zou kunnen spelen, in het kader van het volksgezondheidsbeleid. Daarnaast is er ook een belangrijke rol weggelegd voor sectoren zoals sportclubs, de vrijetijdsbranche, bouwondernemingen, reclameagentschappen, openbaar vervoer, actief toerisme, enz. De privésector zou betrokken kunnen worden bij win-winoplossingen door te wijzen op de economische mogelijkheden van investeringen in gezondere keuzes.

2.4.4 De media dragen een grote verantwoordelijkheid bij het verstrekken van informatie en voorlichting, het bevorderen van de bewustwording en de ondersteuning van het volksgezondheidbeleid op dit vlak.

2.4.5 Sectoroverschrijdende samenwerking is essentieel, niet alleen op nationaal, maar ook op internationaal vlak. De WGO dient het internationale optreden te inspireren, te coördineren en aan te voeren. Internationale organisaties zoals de Voedselen landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO), het Kinderfonds van de Verenigde Naties (UNICEF), de Wereldbank, de Raad van Europa, de Internationale arbeidsorganisatie (IAO) en de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO) kunnen doeltreffende samenwerkingsverbanden in het leven roepen en op die manier de sectoroverschrijdende samenwerking op nationaal en internationaal vlak bevorderen. De Europese Unie (EU) dient een belangrijke rol te spelen via de Europese wetgeving, haar volksgezondheidsbeleid en -programma's, en haar onderzoek en via activiteiten zoals het Europese Actieplatform voor voeding, lichaamsbeweging en gezondheid.

Bestaande internationale verbintenissen zoals de Wereldwijde strategie inzake voeding, lichaamsbeweging en gezondheid, het Europese Actieplan voor voedsel en voeding en de Europese Strategie voor de preventie en beheersing van niet-overdraagbare ziekten kunnen diensten bewijzen als leidraad en kunnen synergiën tot stand brengen. Daarnaast kunnen beleidsverbintenissen zoals het Actieplan voor Europa "kind, milieu en gezondheid" (CEHAPE), het Pan-Europese programma Transport, Gezondheid en Milieu (THE PEP) en de Codex Alimentarius binnen het kader van diens opdracht, worden aangewend om coherentie en rechtlijnigheid in de internationale maatregelen te realiseren en het doeltreffende gebruik van middelen te optimaliseren.

2.4.6 De beleidsinstrumenten gaan van wetgeving tot publiek-private samenwerkingsvormen, waarbij een groot belang wordt gehecht aan regelgevende maatregelen. De regeringen en nationale parlementen dienen te zorgen voor rechtlijnigheid en duurzaamheid via wet- en regelgevende maatregelen. Andere belangrijke instrumenten zijn de herformulering van het beleid, fiscale maatregelen, maatregelen voor overheidsinvesteringen, gezondheidseffectbeoordelingen, bewustwordings- en consumentenvoorlichtingscampagnes, capaciteitsopbouw en samenwerkingsverbanden, onderzoek, planning en controle. Door de volksgezondheid gemotiveerde publiek-private samenwerkingsverbanden die gemeenschappelijke concrete doelstellingen inzake volksgezondheid nastreven, dienen te worden aangemoedigd.

Specifieke regelgevende maatregelen dienen o.a. te omvatten: de goedkeuring van regelgeving om de omvang en effecten van de reclame voor energierijke voeding en drank te beperken, vooral de reclame gericht aan kinderen, met de ontwikkeling van internationale benaderingen zoals een gedragscode voor aan kinderen gerichte reclame op dit gebied; en de goedkeuring van regelgeving voor veiliger wegen zodat fietsen en wandelen worden bevorderd.

2.4.7 De maatregelen dienen zowel op micro- als op macroniveau en in verschillende omgevingen te worden getroffen. Bijzonder belang wordt gehecht aan omgevingen zoals huis en gezin, gemeenschappen, kleuterscholen, scholen, werkplaatsen, transportmiddelen, de stedelijke omgeving, woningen, gezondheidszorg, sociale diensten en recreatieve voorzieningen. De maatregelen dienen ook zowel lokale, nationale als internationale niveaus te bestrijken. Hierdoor zal het individu ondersteund en aangemoedigd worden om verantwoordelijkheid te nemen door actief gebruik te maken van de aangeboden mogelijkheden.

2.4.8 De maatregelen dienen te streven naar een optimale energiebalans door een gezondere voeding en meer lichaamsbeweging te stimuleren.

Informatie en voorlichting blijven weliswaar belangrijk, maar de aandacht dient te verschuiven naar een pakket ingrepen die bedoeld zijn om de sociale, economische en fysieke omgeving te veranderen ten gunste van een gezonde levenswijze.

2.4.9 Bij voorrang dient er een pakket essentiële preventieve acties te worden aangeprezen als belangrijkste maatregelen; de landen kunnen bepaalde ingrepen uit dit pakket verder voorrang verlenen afhankelijk van hun nationale omstandigheden en de stand van de beleidsontwikkeling.

Dit pakket essentiële maatregelen kan het volgende omvatten: vermindering van marktdruk, vooral op kinderen; bevordering van borstvoeding; betere toegankelijkheid en beschikbaarheid van gezondere voeding, waaronder fruit en groenten; economische maatregelen die gezondere voedingskeuzes vergemakkelijken; ruim aanbod betaalbare recreatieve/sportvoorzieningen, met steun voor sociaal benadeelde groepen; beperking van vetten, vrije (vooral toegevoegde) suikers en zout in industriële producten; adequate voedingswaarde-etikettering; stimuleren van fietsen en wandelen door betere stadsplanning en verkeersbeleid; het scheppen van mogelijkheden in de lokale omgeving die mensen ertoe motiveren om in hun vrije tijd aan lichaamsbeweging te doen; aanbod van gezondere voedingsmiddelen, gelegenheid tot dagelijkse lichaamsbeweging, en voedingsvoorlichting en lichamelijke opvoeding in scholen; mensen mogelijkheden en motieven geven om gezonder te eten en aan lichaamsbeweging te doen op de werkplek; ontwikkeling/verbetering van nationale voedingsrichtlijnen en richtlijnen voor lichaamsbeweging; en bevordering van aan het individu aangepaste verandering van het gezondheidsgedrag.

2.4.10 De aandacht moet ook gericht blijven op de preventie van obesitas bij mensen die al aan overgewicht lijden en dus een hoog risico lopen, en op de behandeling van de ziekte obesitas zelf.

Concrete maatregelen op dit gebied kunnen o.a. zijn: invoering van tijdige identificatie en beheersing van overgewicht en obesitas in de eerstelijnsgezondheidszorg, het geven van opleidingen over obesitaspreventie aan gezondheidswerkers; en het bieden van klinische begeleiding voor screening en behandeling. Elke stigmatisering of overwaardering van mensen met obesitas in alle leeftijdsgroepen dient te worden vermeden.

2.4.11 Tijdens de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van de beleidsmaatregelen dienen succesvolle ingrepen aangewend te worden die hun doeltreffendheid reeds bewezen hebben. Daartoe behoren projecten met een bewezen effect op de consumptie van gezondere voeding en een frequentere lichaamsbeweging zoals: programma’s waarbij gratis fruit wordt aangeboden op school; betaalbare prijzen voor gezondere levensmiddelen; betere toegankelijkheid tot gezondere voeding op de werkplek en in sociaal achtergestelde omgevingen; het aanleggen van voorrangsfietspaden; kinderen aanmoedigen om te voet naar school te gaan; betere straatverlichting; het stimuleren van trappenlopen; en minder televisiekijken. Er bestaan ook bewijzen dat tal van ingrepen ter bestrijding van obesitas, zoals schoolprogramma's en actieve verkeersmiddelen, zeer kostenbesparend zijn. Het Regionaal bureau van de WGO voor Europa zal de beleidmakers voorbeelden van goede werkwijzen en casestudy's geven.

3. VOORTGANG EN BEWAKING

3.1 Dit Handvest streeft naar een versterking van de maatregelen tot bestrijding van obesitas in de gehele Europese Regio van de WGO. Het zal nationale beleidslijnen, regelgevende maatregelen waaronder wetgeving en actieplannen, stimuleren en beïnvloeden. Een Europees actieplan betreffende voeding en lichaamsbeweging zal de beginselen van dit Handvest en het kader dat door dit Handvest wordt uitgetekend omzetten in pakketten met concrete maatregelen en in bewakingsmechanismen.

3.2 Er moet een proces worden opgestart voor de ontwikkeling van internationaal vergelijkbare kernindicatoren die vervolgens worden opgenomen in de nationale stelsels voor gezondheidstoezicht. Deze gegevens kunnen dan worden gebruikt voor pleitbezorging, beleidsvorming en bewaking. Daardoor wordt het ook mogelijk om de beleidslijnen en maatregelen regelmatig te beoordelen en te herzien en de resultaten te verspreiden onder een breed publiek.

3.3 Bewaking van de voortgang op lange termijn is essentieel, omdat het enige tijd zal duren voordat de resultaten in de vorm van een vermindering van obesitas en de bijbehorende ziektelast duidelijk worden. Er dienen driejaarlijkse voortgangsrapporten te worden opgesteld op het niveau van de Europese Regio van de WGO. Het eerste daarvan wordt verwacht in 2010.

Dr. Marc Danzon

Broccoli en Hartziekte

Uit een onderzoek aan de University of Connecticut School of Medecine is gebleken dat broccoli niet alleen kanker kan helpen voorkomen, maar dat het ook beschermend kan werken tegen hartkwalen. Dat schrijft de United Press International.

Het is al lang geweten dat broccoli veel anti-oxidanten, vitamines en vezels bevatten, deze kunnen beschermen werken tegen kanker. Maar Dipak K. en zijn collega's voerden de ratten in het laboratorium broccoli en ontdekten dat de groente ook effect hadden op de hartspier.

De ratten die alleen broccoli aten, bleken minder schade aan het hart op te lopen na zuurstofgebrek, dan de ratten die gewone voeding aten.

Volgens de onderzoekers bevat broccoli een hoge concentratie van bepaalde substanties die ervoor zorgen dat de hartbeschermende proteïne thioredoxin wordt aangemaakt.

Superbroccoli

Een soort "superbroccoli" die door Britse wetenschappers bedacht werd, moet de kans op het ontwikkelen van kanker en hartziekten tegengaan.

De groente in kwestie werd in Norwich ontwikkeld, kreeg de naam Beneforte en wordt nu al te koop aangeboden in de Britse warenhuisketen Marks & Spencer.

Studies hebben aangetoond dat mannen die veel broccoli eten een kleiner risico lopen op prostaat- en darmkanker. Ander onderzoek bewees het nut van de groente als preventie tegen hartaanvallen en beroertes.

Beneforte bevat echter drie keer meer glucorafanine dan normale broccoli. Die stof wordt als heilzaam beschouwd. In de maag wordt ze immers omgezet in sulforafaan, een stof die het ongecontroleerd delen van cellen tegengaat.

Omega 3 besluiten

De inname van omega-3-vetzuren heeft in sommige gevallen een duidelijk positief waarneembaar effect op het ziektebeeld. Besluit Omega-3 vetzuren zijn terug te vinden in verschillende bronnen. Deze omvatten zowel dierlijke voedingsmiddelen (met als belangrijkste de vette vissoorten), als plantaardige (zoals sojaolie, walnoten, koolzaadolie) en verrijkte voedingsmiddelen zoals margarine, melk en brood.

Daar waar de Belgische aanbevelingen het vooral over maximum hoeveelheden hebben, vermelden de internationale aanbevelingen ook minimumwaarden. Zolang de maximum toegelaten hoeveelheden niet overschreden worden is het gebruik van omega-3 niet schadelijk.

Verder kunnen we besluiten dat een menu dat is opgesteld met de nodige aandacht voor de voorgeschreven aanbevelingen van omega-3, voldoende omega-3 levert. Dit in tegenstelling tot een menu dat is opgesteld op basis van voedselconsumptie peilingen van 2004. Er moet dus meer aandacht worden besteed aan de keuze van voedingsmiddelen die omega-3 bevatten. Als dit gebeurt, dan is het gebruik van supplementen niet noodzakelijk.

Bij het gebruik van deze supplementen mag de toegelaten maximumhoeveelheid zeker niet worden overschreden. Ook wordt er soms gesuggereerd dat regelmatig vis eten ongezond is omwille van het hoog kwikgehalte. Dit wordt ontkracht, men adviseert dan ook twee keer per week vis te eten, maar met voldoende variatie in de soorten.

De inname van omega-3-vetzuren heeft in sommige gevallen een duidelijk positief waarneembaar effect op het ziektebeeld. Zo is er sprake van een verminderd risico op hart- en vaatziekten zowel bij primaire als secundaire preventie. Verder verlaagt het gebruik van omega-3 het cholesterolniveau in gunstige zin evenals het niveau van triglyceriden. Ten slotte noteren we ook een positief effect op ons geheugen, zowel bij zuigelingen, kinderen en jong volwassenen. Door een goede inname van omega-3-vetzuren zouden onze hersenen minder snel verouderen. Wel staat het vast dat de transvetten uit voeding geweerd moeten worden.

Daarnaast zijn er nog een heel aantal ziekten waar nog geen duidelijke uitspraak over kan gedaan worden, omdat studies elkaar tegenspreken of omdat er nog onvoldoende onderzoek is gedaan. Zo toont onderzoek aan dat omega-3-vetzuren verder gewichtsverlies bij kankerpatiënten licht kan verbeteren, maar andere onderzoeken bevestigen dit niet.

Ook bij de behandeling van ADHD zouden omega-3-vetzuren een verbetering teweegbrengen op vlak van gedrags- en leermoeilijkheden, maar omdat ADHD een zeer individuele behandeling vraagt mag er niet vanuit gegaan worden dat omega-3-vetzuren voor iedereen een gunstig effect met zich meebrengen.

Bij de behandeling van depressie met EPA en DHA zijn er beloftevolle aanwijzingen, maar de onderzoekers geven zelf aan dat meer onderzoek vereist is. Zowel bij reuma als bij astma wordt omega-3 in relatie gebracht met zijn anti-inflammatoire werking. Dierproeven hebben aangetoond dat omega-3-vetzuren sterk anti-inflammatoir werken op astma, maar humane studies hebben dit nog niet bevestigd. Ook bij de behandeling van reuma is er geen eensgezindheid. Om conclusies te kunnen trekken over het effect van omega-3 op kanker, ADHD, reuma, astma en depressies moet er nog verder onderzoek worden verricht.

Ongezonde vetten

Industriële ongezonde vetten zijn de echte oorzaak van hart- en vaatziekten. Wereldwijd is de boosdoener verzadigd vet geweest en werden roomboter, kokosvet, palmvet in de ban gedaan en vervangen door verharde oliën en margarines. Maar nu blijkt dat juist de transvetzuren die ontstaan bij verharding van onverzadigde oliën een regelrechte ramp voor onze gezondheid zijn.

Groenten en fruit bewaren

Groenten en fruit bewaren - Hoe lang je verse groenten kunt bewaren is afhankelijk van de soort. Hoe verser je ze gebruikt, hoe beter. Hoe langer je groenten en fruit bewaart, hoe meer vitaminen er verloren gaan.

•andijvie: koelkast (1)

•aubergines: kamertemperatuur (3), niet samen met tomaten (4)

•asperges: koelkast, bij voorkeur gewikkeld in een vochtige doek

•bladselderij: koelkast

•bloemkool: koelkast

•bonen (alle soorten) en doperwten: koele berging (2)

•broccoli: koelkast

•champignons en oesterzwammen: koelkast

•courgettes: koele berging of kamertemperatuur, niet samen
met tomaten (4)

•knolselderij: koelkast of koele berging

•komkommer: koele berging of kamertemperatuur, niet samen met tomaten (4)

•koolsoorten (rode, groene, witte): koelkast (bij voorkeur) of koele berging

•paprika's (rode, groene, gele): koele berging

•prei: koelkast

•schorseneren: koelkast

•spruiten: koelkast

•sla (alle soorten): koelkast

•spinazie: koelkast

•tuinkruiden: afgesneden verse tuinkruiden in de koelkast; potjes-met-wortel op kamertemperatuur

•tomaten (los of in tros): koele berging of kamertemperatuur, niet samen met aubergines, courgettes en komkommers (4)

•uien: koele berging

•witloof: koelkast

•wortelen: wortelen met loof in de koelkast; bewaarwortelen in de koele berging

Fruit
•aardbeien, bessen, frambozen en ander klein fruit: koelkast

•appelen: koelkast, niet samen met andere groenten en fruit (4)

•bananen: kamertemperatuur

•citrusvruchten: koele berging of kamertemperatuur

•kiwi's: koele berging of kamertemperatuur, niet samen met andere groenten en fruit (4)

•peren: koelkast, niet samen met groenten, appelen en klein fruit

•tropische vruchten: kamertemperatuur

Hoe lang bewaren?

Hoe lang je verse groenten kunt bewaren is afhankelijk van de soort. Hoe verser je ze gebruikt, hoe beter. Hoe langer je groenten en fruit bewaart, hoe meer vitaminen er verloren gaan.

•bladgroenten: 1 tot 2 dagen

•sperziebonen, wortelen en broccoli: 3 tot 5 dagen

•aubergines, courgettes, paprika's en winterwortels: 5 tot 7 dagen

•witloof en bloemkool: 7 tot 10 dagen

•komkommer en tomaten: 1 tot 2 weken

•gesneden groenten gebruik je best nog dezelfde dag

•bij voorverpakte groenten geldt de houdbaarheidsdatum op de verpakking

 

(1) Koelkast: tussen 3 en 7°C; bij voorkeur in de groentelade en/of de twee hoogste rekken.


(2) Koele berging: tussen 8 en 15°C, bijvoorbeeld een verluchte kleine kelder of een verluchte donkere ruimte waar de temperatuur constant koel blijft. Voorzie voldoende rekken en schappen op verschillende hoogtes.


(3) Kamertemperatuur: vanaf 12 °C, bijvoorbeeld de keuken; plaats geen producten vlak naast een warmtebron.


(4) Tomaten, rijpe appelen en kiwi's geven veel ethyleen vrij. Bewaar ze in een aparte schaal of bak. Ethyleen is een natuurlijk rijpingshormoon waarvoor vooral koolsoorten, komkommers, broccoli, aubergines en champignons gevoelig zijn en waardoor ze sneller bederven

Omega 3 en hart en vaatziekten

Omega 3 en hart en vaatziekten - De inname van omega-3-vetzuren heeft in sommige gevallen een duidelijk positief waarneembaar effect op het ziektebeeld. Besluit Omega-3 vetzuren zijn terug te vinden in verschillende bronnen. Deze omvatten zowel dierlijke voedingsmiddelen (met als belangrijkste de vette vissoorten), als plantaardige (zoals sojaolie, walnoten, koolzaadolie) en verrijkte voedingsmiddelen zoals margarine, melk en brood.

Daar waar de Belgische aanbevelingen het vooral over maximum hoeveelheden hebben, vermelden de internationale aanbevelingen ook minimumwaarden. Zolang de maximum toegelaten hoeveelheden niet overschreden worden is het gebruik van omega-3 niet schadelijk.

Verder kunnen we besluiten dat een menu dat is opgesteld met de nodige aandacht voor de voorgeschreven aanbevelingen van omega-3, voldoende omega-3 levert. Dit in tegenstelling tot een menu dat is opgesteld op basis van voedselconsumptie peilingen van 2004. Er moet dus meer aandacht worden besteed aan de keuze van voedingsmiddelen die omega-3 bevatten. Als dit gebeurt, dan is het gebruik van supplementen niet noodzakelijk.

Bij het gebruik van deze supplementen mag de toegelaten maximumhoeveelheid zeker niet worden overschreden. Ook wordt er soms gesuggereerd dat regelmatig vis eten ongezond is omwille van het hoog kwikgehalte. Dit wordt ontkracht, men adviseert dan ook twee keer per week vis te eten, maar met voldoende variatie in de soorten.

De inname van omega-3-vetzuren heeft in sommige gevallen een duidelijk positief waarneembaar effect op het ziektebeeld. Zo is er sprake van een verminderd risico op hart- en vaatziekten zowel bij primaire als secundaire preventie. Verder verlaagt het gebruik van omega-3 het cholesterolniveau in gunstige zin evenals het niveau van triglyceriden. Ten slotte noteren we ook een positief effect op ons geheugen, zowel bij zuigelingen, kinderen en jong volwassenen. Door een goede inname van omega-3-vetzuren zouden onze hersenen minder snel verouderen. Wel staat het vast dat de transvetten uit voeding geweerd moeten worden.

Daarnaast zijn er nog een heel aantal ziekten waar nog geen duidelijke uitspraak over kan gedaan worden, omdat studies elkaar tegenspreken of omdat er nog onvoldoende onderzoek is gedaan. Zo toont onderzoek aan dat omega-3-vetzuren verder gewichtsverlies bij kankerpatiënten licht kan verbeteren, maar andere onderzoeken bevestigen dit niet.

Ook bij de behandeling van ADHD zouden omega-3-vetzuren een verbetering teweegbrengen op vlak van gedrags- en leermoeilijkheden, maar omdat ADHD een zeer individuele behandeling vraagt mag er niet vanuit gegaan worden dat omega-3-vetzuren voor iedereen een gunstig effect met zich meebrengen.

Bij de behandeling van depressie met EPA en DHA zijn er beloftevolle aanwijzingen, maar de onderzoekers geven zelf aan dat meer onderzoek vereist is. Zowel bij reuma als bij astma wordt omega-3 in relatie gebracht met zijn anti-inflammatoire werking. Dierproeven hebben aangetoond dat omega-3-vetzuren sterk anti-inflammatoir werken op astma, maar humane studies hebben dit nog niet bevestigd. Ook bij de behandeling van reuma is er geen eensgezindheid. Om conclusies te kunnen trekken over het effect van omega-3 op kanker, ADHD, reuma, astma en depressies moet er nog verder onderzoek worden verricht.

Onverzadigde vetten

Het harden van een olie is de slechtste manier om van iets vloeibaar iets vast te maken omdat dit als eindresultaat veel transvetzuren oplevert. De onverzadigde vetzuren komen van nature voor in plantaardige producten maar ook in vette vissoorten zoals zalm en heilbot.

Deze vetzuren hebben specifieke eigenschappen. Op onze aardbol is er meer plantaardig en dus vloeibaar vet beschikbaar dan vast. Daarom worden deze vetten verwerkt tot margarine. Voor de verwerking van een olie naar een vast vet bestaan er verschillende methodes. Het harden van een olie is de slechtste manier om van iets vloeibaar iets vast te maken omdat dit als eindresultaat veel transvetzuren oplevert. Er bestaan technieken om het gehalte aan transvetzuren te beperken.

Men maakt men gebruikt van een techniek die ervoor zorgt dat de voedingsvetten verzadigde en onverzadigde vetzuren met elkaar gaan uitwisselen. Dit levert een margarine met een veel lager gehalte aan transvetzuren.

De groep van de onverzadigde vetzuren bestaat uit 2 types:

De mono-onverzadigde vetzuren:

die vind je in plantaardige oliën zoals olijfolie, koolzaadolie en arachideolie. Deze vetzuren hebben een gunstige invloed op het cholesterolgehalte in het bloed. Een goede bron van de mono-onverzadigde vetzuren of enkelvoudig onverzadigde vetzuren is olijfolie. Het meest gekende vetzuur in deze groep is oliezuur of Omega 9-vetzuur. Het is omwille van dat vetzuur dat olijfolie zo geëerd wordt. Dit vetzuur is verantwoordelijk voor de cholesterol daling (meer bepaald de daling van de LDL-cholesterol waarde).

De poly-onverzadigde vetzuren waarin we opnieuw 2 families van essentiële vetzuren terugvinden:

de Omega 6- en de Omega 3-vetzuren. Een goede bron van de mono-onverzadigde vetzuren of enkelvoudig onverzadigde vetzuren is olijfolie. Het meest gekende vetzuur in deze groep is oliezuur of Omega 9-vetzuur. Het is omwille van dat vetzuur dat olijfolie zo geëerd wordt. Dit vetzuur is verantwoordelijk voor de cholesterol daling (meer bepaald de daling van de LDL-cholesterol waarde). Deze omzetting gaat niet door bij iedereen. De omzetting van alfa-linoleenzuur naar EPA en DHA gebeurt door dezelfde enzymen die zorgen voor de omzetting van linolzuur naar AA. Hieruit kan je al snel afleiden dat er onderling competitie is bij de omzetting van deze metabolieten. Hierbij komt dat de affiniteit van deze enzymen groter is voor de vetzuren uit Omega 6 groep dan de vetzuren uit de Omega 3 groep.

Voor een optimale werking van deze vetzuren en er dus voor zorgend dat ons lichaam kan gebruik maken van de voordelen van deze vetzuren, dienen we ze in een bepaalde verhouding in te nemen. Momenteel bevat onze voeding te veel Omega 6 vetzuren en te weinig Omega 3 vetzuren. We nemen ze in aan een verhouding van 15/1 (Omega 6/Omega 3). Dit zorgt ervoor dat de enzymen bijna geen EPA en DHA kunne vormen. Een ideale verhouding is die van 1/1. De uit balans gebrachte verhouding wordt heel vaak in verband gebracht met de ontwikkeling van chronische degeneratieve aandoeningen zoals kanker en hart- en vaatziekten. Wel moet er rond kanker nog verder onderzoek gebeuren.

Omega 6- en Omega 3–vetzuren zijn essentiële vetzuren:

ons lichaam heeft die nodig om goed te kunnen functioneren. Deze vetzuren kunnen echter niet of onvoldoende door het lichaam worden aangemaakt en moeten we via de voeding opnemen.

Omega 6-vetzuren (waarvan het stamvetzuur linolzuur is) vind je terug in plantaardige oliën. Deze gebruiken we tegenwoordig bijzonder vaak in de keuken: linolzuur wordt dan ook in (meer dan) voldoende mate via de voeding opgenomen.

Omega 6-vetzuren hebben een licht cholesterolverlagende werking.

De Omega 6-vetzuren treffen we vooral aan in zonnebloemolie, maïskiemolie, sojaolie en druivenpit olie. Deze vetzuren zouden instaan voor een bloeddruk- en cholesteroldalende werking. Momenteel is onze voeding rijkelijk voorzien van Omega 6-vetzuren. Door deze rijkelijke toevoer van Omega 6 vetzuren is het vetzuur AA hoofdzakelijk aanwezig in onze cellen. Uit AA worden er ook stoffen gesynthetiseerd (eicosanoïden) die instaan voor de ontstekingsreactie. Recent werd ook aangetoond dat de geproduceerde stoffen ook een allergieverwekkende functie vertonen. Verder onderzoek moet vele van deze functies nog bevestigen maar de resultaten wijzen er momenteel op uit dat het voorkomen van artritis, reuma en eczeem.

Ons lichaam kan alfa-linoleenzuur omzetten in de 2 andere Omega 3-vetzuren EPA en DHA (docosahexaeenzuur). Die omzetting gebeurt echter zo moeizaam dat we beter ook rechtstreeks voldoende EPA en DHA uit onze voeding kunnen opnemen. EPA en DHA vind je overvloedig in vette vis zoals tonijn, zalm, haring, makreel, forel...

Omega 3-vetzuren dragen bij tot een goede werking van hart- en bloedvaten.

Kies je voeding

Kies je voeding -  Je winkelwagen laat zien welke dingen jij belangrijk vindt bij het kiezen en kopen van eten. Let je alleen op de prijs of op gezondheid? Kijk je naast kwaliteit ook naar de samenstelling van de voedingsstoffen, naar houdbaarheid én eerlijke handel?

Want jij bepaalt hoe je eten tot stand komt. Op die manier vertelt een winkelwagen een verhaal. Jouw verhaal. Jij kunt kiezen!!!! Kies producten met zo weinig mogelijk verzadigd vet en als het kan zo veel mogelijk onverzadigd vet. Verzadigd vet kan het cholesterolgehalte in het bloed laten stijgen en vergroot daarmee de kans op hart- en vaatziekten. Ook transvet, dat verborgen kan zijn in veel koekjes, gebak en snacks, heeft deze negatieve eigenschap. Onverzadigde vetten hebben altijd juist de tegenovergestelde werking: ze verlagen het cholesterolgehalte van het bloed.

Door het invoeren van een geregistreerd Cardiolabel is dit niet meer nodig, in één oogopslag kan je het herkenbare logo zien en met een gerust hart tot een aankoop overgaan.

Veel voedingsmiddelen bevatten vet zonder dat het meteen zichtbaar is:

vet vlees
vette vleeswaren
volle melk
volvette kaas
gebak
koekjes
chocolade
snacks
zoutjes
harde margarine
hard frituurvet
Kies liever:

magere varianten van melk(producten)
magere varianten van vlees(waren)
vloeibaar bak- en braadvet olie
Visvetzuren

Vis neemt een speciale plaats in vanwege de visvetzuren. Deze hebben een gunstige invloed op het hartritme en beschermen daardoor tegen hart- en vaatziekten. Eet daarom twee keer per week vis, waarvan ten minste één keer vette vis zoals makreel, zalm, haring......

Feit

Plantaardig vet is niet altijd onverzadigd vet. Harde plantaardige vetten bevatten juist veel verzadigd vet. Hart- en vaatziekten zijn doodsoorzaak nummer één in België. Risicofactoren voor hart- en vaatziekten zijn roken, overgewicht, een hoge bloeddruk (hypertensie), een hoog cholesterolgehalte en diabetes mellitus. Daarnaast speelt erfelijke aanleg een rol. De kans op hart- en vaatziekten wordt verkleind door een gezonde levensstijl. Als er twee of meer risicofactoren aanwezig zijn, is een gezonde levensstijl extra van belang.

Een gezonde levensstijl kenmerkt zich door:

niet roken, een gezond lichaamsgewicht, minimaal een half uur beweging per dag, eet gezond en gevarieerd met voldoende vitamines, mineralen en vezels en weinig verzadigd vet of transvet, eet daarom voldoende volkorenproducten, groente en fruit, en kies voor magere of halfvolle zuivelproducten, minder vette vleessoorten en twee keer per week (vette) vis, gebruik van weinig zout

Gezonde voeding en voldoende beweging spelen een belangrijke rol bij de preventie van hart- en vaatziekten.

Gezond gewicht

Overgewicht ontstaat wanneer het lichaam langere tijd meer calorieën binnenkrijgt dan het verbruikt. Iets minder eten en iets meer bewegen helpt dan om overgewicht te voorkomen.

Beperk verzadigd vet

Verzadigd vet verhoogt het cholesterolgehalte in het bloed, wat het risico op hart- en vaatziekten vergroot. Onverzadigd vet verlaagt juist het cholesterolgehalte in het bloed. Daarom hebben voedingsmiddelen met de minste verzadigde vetten de voorkeur. Omdat sommige visvetzuren (n-3- of omega 3-vetzuren) een positief effect hebben op hart en bloedvaten, is het advies wekelijks twee keer vis te eten, waarvan ten minste één keer vette vis, zoals makreel, zalm en haring. Deze soorten bevatten veel n-3-vetzuren. De door de Gezondheidsraad geadviseerde hoeveelheid visvetzuren bedraagt 450 mg per dag.

Eet veel groente en fruit

Groente en fruit zijn rijk aan voedingsvezels en andere stoffen die goed zijn voor de gezondheid, zoals foliumzuur, antioxidanten zoals vitamine C, flavonoïden en carotenoïden (bioactieve stoffen). Als iedereen in België elke dag tweehonderd gram groenten en twee keer fruit zou eten, kunnen per jaar duizenden sterfgevallen van hart- en vaatziekten worden voorkomen. Om optimaal te profiteren van alle voedingsstoffen is het advies te variëren met groente en fruit.

Wees matig met zout en alcohol

Om het risico op hart- en vaatziekten te verlagen, is het advies om weinig zout te gebruiken bij het koken en te letten op de hoeveelheid zout in kant-en-klare producten. Ook is het belangrijk te zorgen voor voldoende producten met veel kalium zoals groente, fruit en aardappelen. Kalium werkt bloeddrukverlagend en beschermt tegen hartritmestoornissen. Het dagelijks eten van tweehonderd gram groenten en twee keer fruit helpt mee de bloeddruk op peil te houden.

Alcoholgebruik vanaf twee glazen per dag is ongunstig voor de gezondheid omdat het de bloeddruk kan verhogen, hartritmestoornissen kan veroorzaken en bij vrouwen zorgt voor een licht hoger risico op borstkanker. Het advies is daarom matig te zijn met alcohol. Dat betekent niet meer dan één glas (vrouwen) of twee glazen (mannen) per dag.

Speciale producten

De genoemde voedingsadviezen zijn extra belangrijk voor hartpatiënten en mensen met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten zoals mensen met een hoge bloeddruk, een te hoog cholesterolgehalte en/of diabetes. Met de arts kan in deze gevallen worden bekeken of cholesterol- of bloeddrukverlagende geneesmiddelen en aanvullende voedingsadviezen verstandig zijn, zoals gebruik van cholesterolverlagende producten en/of hoge doseringen visolie of foliumzuur.

Omega 3 vetzuren

ALA wordt van nature aangetroffen in onder meer groene bladrijke groenten als bv. spinazie, postelein, waterkers, peulvruchten. Andere bronnen zijn onder meer walnoten, lijnzaad, sojabonen, koolzaad, hennep en hun afgeleide olie.

Transvetten

Transvetten - Dit betekent dat negentig procent van de bevolking het transvetgehalte in de voeding moet verlagen. De aanvaardbare bovengrens van verzadigde vetten is tien energieprocent. Dit betekent dat negentig procent van de bevolking het transvetgehalte in de voeding moet verlagen. De inname van transvetzuren dient zo laag mogelijk en hooguit één energieprocent (1 EN %) te zijn. Dit kan door koek- en gebaksoorten te kiezen met weinig of geen vet.

Koekjes of gebak waarvan het recept meer vet vraagt, kunt u beter zelf bakken met margarine met een laag transvet gehalte. Vruchtenvlaai is een voorbeeld van een vetvrije gebaksoort. Verder kunt u er maar beter voor kiezen snacks of frites zelf in olie of vloeibaar frituurvet te bakken, indien de snackbar op de hoek harde vetten gebruikt. En neem liever minder vette kazen of smeerkazen. Kazen met de vermelding 40+ bevatten bijvoorbeeld al veel minder transvetzuren dan vettere soortgenoten.

Consumenten dienen echter kritisch te blijven als verpakkingen van voedingsmiddelen de aanduiding plantaardig bevatten. Het ligt voor de hand te denken dat plantaardige vetten zonder meer gezond zijn. Helaas geven fabrikanten vaak wel aan dat plantaardige bronnen zijn gebruikt voor de fabricage van hun product, maar bij margarines in wikkels blijkt dikwijls dat er weinig over is van de goede eigenschappen. Als consument is het belangrijk na te gaan welk soort vetten het product bevat, hoe de onderlinge verhoudingen van deze vetten zijn en hoe dit is bij soortgelijke voedingsmiddelen. Door het gebruik van het Cardiolabel kunnen we een duidelijk signaal geven aan de consument.

Kortom: lees de voedingswaarde-informatie op de verpakking en vergelijk deze met die van andere producten. De hardheid van het product is ook een goede indicatie. Zo zijn zachte vetten van bijvoorbeeld oliën, vloeibaar frituurvet en vloeibare bak- en braadproducten rijk aan onverzadigde vetten en daarom vriendelijk voor hart- en bloedvaten. Harde vetten, zoals die van kaas, vlees, roomboter en margarine in wikkels, hebben in veel gevallen een ongezonde samenstelling.

Linolzuur, alfa-linoleenzuur en N-3-vetzuren uit vis zijn soorten onverzadigd vet die de kans op hart- en vaatziekten verkleinen. Bovendien hebben deze vetzuren waarschijnlijk ook andere gezondheidsbevorderende eigenschappen. Bij linolzuur lijkt dit effect het sterkst. Linolzuur zit vooral in zonnebloem-, maïs- en sojaolie en in de uit deze oliën vervaardigde dieetmargarines. Groene groenten, raapzaad-, lijnzaad- en sojaolie zijn de belangrijkste bronnen van alfa-linoleenzuur.

Nu we inmiddels doordrongen zijn van het verschil tussen ‘gezonde’ onverzadigde vetten en ‘ongezonde’ verzadigde vetten, zullen we nog méér op de nog ongezondere transvetten moeten letten. Ongezonde transvetzuren ontstaan bij het harden van plantaardige oliën, bij de fabricage van margarine, bij de bereiding van koekjes, gebak en zoutjes, en bij frituren in hard en/of dierlijk frituurvet.

Image

Download Our Mobile App

Image
Image