All Stories

Video Caption: Best London Corporate
Video Duration: 01 : 35

Ablatie

Ablatie - Met een ablatie kunnen verschillende oorzaken van hartritmestoornissen worden behandeld. Ablatie is een techniek waarbij met behulp van een katheter met opzet hartweefsel wordt beschadigd. Het hartweefsel wordt met behulp van plaatselijke warmte, opgewekt door radiofrequente golven, verbrand, waarbij kleine littekentjes ontstaan. Soms ook wordt in plaats van verhitting bevriezing toegepast.

Het hart wordt aangezet tot samentrekken door een elektrische prikkel die zich razendsnel in een domino-effect door de hartspier verplaatst. Het prikkelgeleidingsysteem regelt de route en de snelheid van de elektrische prikkel.

In een gezond hart begint de elektrische prikkel in de sinusknoop in de rechterboezem om zich vervolgens via de boezemwanden te verplaatsen naar de spiercellen van de kamers, na een kort oponthoud bij de centrale AV-knoop. Het prikkelgeleidingsysteem functioneert minder goed als de elektrische prikkel een alternatieve route volgt. Dan trekt de hartspier niet in de juiste volgorde en snelheid samen. Door een ablatie kan de alternatieve route worden afgesloten.

Met ablatie kunnen hartritmestoornissen worden behandeld.

Aan de ablatie behandeling gaat altijd een elektrofysiologisch onderzoek vooraf. Bij dit onderzoek wordt een aantal dunne draden via een ader of slagader (of allebei) ingebracht en opgeschoven naar het hart. Via de draden worden de elektrische prikkels uit het hart rechtstreeks naar een ECG-apparaat geleid, waarmee een elektrische registratie van het hart (hartfilmpje) wordt gemaakt. Zo kan worden vastgesteld om wat voor ritmestoornis het gaat en waar deze ontstaat.

Toepassing boezemfibrilleren

Ablatie wordt toegepast bij boezemfibrilleren (een snelle en onregelmatige samentrekking van de boezems van het hart) als een behandeling met medicijnen onvoldoende helpt. Deze ablatie behandeling wordt uitgevoerd bij het elektrische geleidingssysteem van het hart. Hiermee wordt de (elektrische) verbinding tussen de hartboezems en de -kamers verbroken, waardoor het boezemfibrilleren wordt uitgeschakeld. Een gevolg is ook dat de hartslag te langzaam is geworden. De patiënt is hierdoor voor de rest van zijn leven aangewezen op een pacemaker.

Maze-ablatie

Op de plek waar de longaders uitmonden in de linkerboezem worden via ablatie een soort lijntjes getrokken, met als doel de elektrische stroom te onderbreken. Bij meer dan de helft van de patiënten is deze behandeling voor boezemfibrilleren effectief.

Extra elektrische verbinding

Soms is er in het hart een extra elektrische verbinding tussen boezem en kamer. Hierdoor kan de elektrische prikkel een andere weg nemen dan normaal, waardoor er een hele snelle hartslag kan ontstaan. Deze extra verbinding wordt met ablatie verbroken. De twee meest voorkomende aandoeningen waarbij deze extra verbinding is aangelegd zijn: het WPW (Wolff-Parkinson-White)-syndroom en de AV nodale re-entry tachycardie.

Ventrikeltachycardie

Bij een ventrikeltachycardie zijn er elektrische impulsen die rondcirkelen in een van de hartkamers. Hierdoor kan een gevaarlijke situatie ontstaan, waardoor het hart op hol slaat en (in het ergste geval) ophoudt met pompen. In sommige gevallen komt ablatie in aanmerking om het hartweefsel dat de extra impulsen doorgeeft uit te schakelen.

De behandeling van ablatie

Via de rechter- en soms ook via de linkerlies worden de katheters ingebracht. De elektrofysioloog (of ritmoloog) schuift de katheters via de bloedvaten op naar het hart en probeert de oorsprong van de ritmestoornis te vinden. Als de plek is gevonden, wordt het puntje van de katheter tegen de hartspier aangelegd en verhit tot ongeveer 50 ºC. Door de warmte wordt op deze plaats hartspierweefsel weggebrand (beschadigd). De patiënt voelt dit als een warm of branderig gevoel, dat soms pijnlijk kan zijn.

Ablatie operatiekamer

Er ontstaat een littekentje van enkele millimeters in doorsnede en diepte. De littekentjes zorgen ervoor dat de elektrische prikkel niet meer voortgeleid wordt, zodat de ritmestoornis niet meer optreedt.

De elektrofysioloog controleert of de ritmestoornis definitief weg is door de ritmestoornis op te wekken. AIs de ritmestoornis nog opwekbaar is, dan wordt de behandeling vervolgd tot dat de ritmestoornis niet meer op te wekken is. De duur van de behandeling is afhankelijk van de soort ablatie tussen de één en vier uur.

Na afloop van de behandeling wordt de katheter weer verwijderd en wordt het prikgat in de (slag)ader een tijdje stevig aangedrukt, waarna men een drukverband plaatst dat enkele uren moet blijven zitten. Soms gebruikt men een 'angioseal', een soort dopje dat vanzelf in de (slag)ader en de huid oplost. Bij de ablatie via de lies moet de patiënt na afloop van het onderzoek nog enkele uren plat blijven liggen.

Kans op succes is groot

De kans op succes bij een ablatie is vrij groot. Complicaties doen zich zelden voor. Heel soms raakt het prikkelgeleidingsysteem beschadigd en moet er een pacemaker worden geïmplanteerd.

Anastomose

Video Caption: Best London Corporate
Video Duration: 01 : 35

Een eindstandige verbinding tussen twee bloedvaten of vervangende bloedvaten wordt een end-to-end anastomise genoemd. Deze anastomose wordt bij grote bloedvaten gemaakt door bloedvaten dwars in te knippen. Bij kleinere bloedvaten bestaat het gevaar dat door de anastomose een vernauwing ter plaatse van de verbinding optreedt en wordt de anastomose vaak gelegd op schuin doorgenomen bloedvaten.

Deze anastomise wordt een gespatuleerde end-to-end anastomise genoemd. Indien een (vervangend) bloedvat eindstandig op de zijde van een ander bloedvat wordt geplaatst, spreekt men van een end-to-side anastomose.

Als minstens twee slagaders verstopt zijn, biedt een overbrugging betere termijnoverleving. Het verbinden van twee bloevaten bv. Het plaatsen van een overbrugging:

Stent of overbrugging? Een koerswijziging….

Sinds de komst van de stent (een metalen gaasje dat ingebracht wordt in de verstopte slagader om ze te openen) is de overbrugging (bypass) verdrongen naar de achtergrond. Zozeer dat deze zware chirurgische techniek vandaag alleen nog toegepast wordt bij oudere en minder gezonde patiënten. Een evaluatie op lange termijn vergeleek echter de voor- en nadelen van beide methoden en gaat in tegen de huidige praktijken…

De voorbije twintig jaar is de cardiologie er sterk op vooruitgegaan.

Als de slagaders dichtslibben, waardoor het risico op een hartaandoening (angina pectoris, hartinfarct,…) stijgt, zijn geneesmiddelen niet meer voldoende en moet er drastischer ingegrepen worden.

Er zijn dan twee mogelijkheden. De eerste is een overbrugging: een vaattransplantatie waarbij rond de verstopping in de slagader een nieuwe ader wordt gelegd, zodat er weer bloed door de kransslagaders kan stromen. Het gaat hier om een zware ingreep met een lange herstelperiode en een hoge operatieve mortaliteit.

De tweede techniek is recenter. Het gaat om een zogenaamde angioplastie, waarbij de slagader wordt verwijd door er een stent (of vaatstut) in te plaatsen, om ze open te houden.

Op korte termijn lijkt die laatste methode te verkiezen boven een overbrugging..

Op langere termijn worden de voordelen van een stent echter niet bevestigd. Dat blijkt uit een grootschalige studie bij 60.000 patiënten. Na drie jaar is de mortaliteit immers veel lager bij een overbrugging, wanneer minstens twee slagaders verstopt zijn.

De auteurs vergeleken 37.000 patiënten die een overbrugging hadden gekregen en 22.000 patiënten die een angioplastiek hadden ondergaan. De operatieve mortaliteit lag veel hoger bij de overbrugging, maar het sterfterisico tijdens de operatie hangt grotendeels af van de algemene en cardiale toestand van de patiënt. En die was nu net minder goed bij de patiënten die een overbrugging kregen.

Geruime tijd na de operatie bleek dat de patiënten die drie overbruggingen kregen, 36 % meer kans hadden om drie jaar later nog in leven te zijn dan de patiënten die een stent kregen ingeplant. Bij patiënten die twee overbruggingen kregen, was dat 24 %.

Ander belangrijk feit: 8 % van de patiënten bij wie angioplastiek werd toegepast, moesten nadien toch een overbrugging krijgen, terwijl 27 % een nieuwe stent nodig had.

Conclusie: als minstens twee slagaders verstopt zijn, biedt een overbrugging een betere langetermijn overleving. Die gegevens zouden wel eens van invloed kunnen zijn op de huidige praktijken.

Anastomosis

Beeldvorming door magnetische resonantie: een niet-invasief onderzoek van onze slagaders.

Ook van de bloedvaten kunnen nu beelden worden gemaakt met behulp van beeldvorming door nucleaire magnetische resonantie (NMR of kernspintomografie) en de resultaten daarvan zijn betrouwbaar. Een NMR is minder traumatiserend dan een coronaorografie en gemakkelijker. Het zou dan ook kunnen dat men in de toekomst eerder een NMR zal verrichten dan een coronaorografie.

- Veel minder agressief voor de patiënt- Overtuigende resultaten.

- Veel voordelen en weinig contra-indicaties.

Hart- en vaatziekten komen zeer vaak voor in onze rijke contreien. Onze slagaders hebben echter de vervelende neiging stilaan dicht te slibben. Dat is onder meer toe te schrijven aan wat we eten en aan het gebrek aan lichaamsbeweging. Bijzonder belangrijk zijn de kransslagaders (coronaire arteriën), want die voorzien de hartspier (myocard) van zuurstofrijk bloed. Als de kransslagaders vernauwen of verstoppen, kan de patiënt een myocardinfarct krijgen.

Doorgaans wordt een coronaorografie (röntgenfoto's van de kransslagaders) uitgevoerd om afwijkingen van de kransslagaders op te sporen. Het principe van het onderzoek is eenvoudig, maar het onderzoek zelf is toch vrij zwaar. In tegenstelling tot de beenderen laten de slagaders immers röntgenstralen door. Om de slagaders zichtbaar te maken, moet men een radio-opake contraststof inspuiten. De arts maakt een incisie in de lies en brengt dan een katheter in de liesslagader in. De katheter wordt verder opgeschoven tot aan de kransslagaders. Dan spuit men de contraststof in en worden er foto's gemaakt. Het onderzoek gebeurt in het ziekenhuis onder lokale verdoving.

Maar dankzij de vooruitgang van de technologie werden nieuwe onderzoeksmethoden ontwikkeld, waaronder NMR of beeldvorming door magnetische resonantie. Het principe van dat onderzoek is veel complexer, maar het onderzoek zelf is veel eenvoudiger.

Veel minder agressief voor de patiënt.

Bij een NMR wordt de patiënt in een enorme cilindrische elektromagneet geplaatst die een krachtig magnetisch veld voortbrengt. Het toestel is verbonden met een computer die de gegevens verwerkt en beelden geeft in de vorm van coupes van het lichaam van de patiënt in alle richtingen. Zo kan men de letsels precies observeren.

NMR werd eerst aangewend voor onderzoek van het zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg), de beenderen en de gewrichten. Maar dankzij recente ontwikkelingen kunnen nu ook de bloedvaten verder onderzocht worden om afwijkingen van de bloedsomloop op te sporen.

Overtuigende resultaten

Artsen uit Amsterdam vergeleken de twee technieken (NMR en coronaorografie). De studie werd uitgevoerd bij 38 patiënten met veneuze overbruggingen (overbrugging van een vernauwde of verstopte kransslagader met een veneuze ent) en klachten van angina pectoris (pijn in de borst, wat zou kunnen wijzen op verstopping van de overbruggingen). Uit het onderzoek bleek het volgende: hoe meer de overbrugging vernauwd was, des te betrouwbaarder was de NMR (in 82 tot 88% van de gevallen als de diameter van de overbrugging gehalveerd is en in 100% van de gevallen als de overbrugging volledig verstopt is).

Veel voordelen en weinig contra-indicaties.

Een NMR doet geen pijn. Er zijn geen ongewenste effecten bekend en het onderzoek kan zelfs bij zwangere vrouwen worden toegepast. Er komen geen stralen aan te pas en er is ook geen risico op allergische reacties, wat soms wel het geval kan zijn bij een chromatografie (allergische reactie op de contraststof). De patiënt moet niet in het ziekenhuis worden opgenomen, moet nadien niet rusten en de resultaten zijn de dag zelf of 's anderendaags reeds bekend.

Personen die metalen voorwerpen in hun lichaam hebben (stukjes metaal ten gevolge van een ongeval of een pacemaker bijv.) mogen geen NMR ondergaan. Daarom wordt voordien het best een klassieke röntgenfoto gemaakt. Bij zwaarlijvige personen is de beeldkwaliteit soms minder goed.

Een NMR-toestel is echter zeer duur en dit geldt ook voor het onderzoek. Daarom wordt het onderzoek nog niet zo vaak aangevraagd. Maar op termijn zou NMR de klassieke coronaorografie wel eens kunnen verdringen. Bovendien duurt het onderzoek vrij lang. Als het toestel bezet is voor een onderzoek van de kransslagaders, kan het uiteraard niet worden gebruikt voor aandoeningen waarvoor het onderzoek soms meer aangewezen is. Daarom moeten de indicaties goed worden gesteld. Het is immers niet mogelijk alle patiënten die een hartinfarct hebben doorgemaakt, met NMR te onderzoeken: de ziekenhuizen kunnen immers nu al de aanvragen voor tumoren niet aan. NMR is dus een methode voor de toekomst, maar dat mag niet gaan ten koste van de patiënten die werkelijk een NMR nodig hebben!

Hartrevalidatie

Hartrevalidatie omvat het geheel van de medische, fysische, psychologische en sociale middelen. Vóór de jaren zestig was een myocardinfarct een ernstige, vaak dodelijke aandoening. Voor wie het overleefde kwam een infarct neer op wekenlange verplichte bedrust en op een doorgaans definitief einde van zijn beroepsactiviteiten.

Op die periode van enigszins hulpeloze veeleer beschouwelijke cardiologie volgde een enthousiaste tijd van snelle mobilisatie, zelfs nog in het ziekenhuis, en hernieuwde krachttraining in ‘hartrevalidatiecentra’, begeleid door een team dat hoofdzakelijk bestond uit gespecialiseerde kinesitherapeuten, dit onder toezicht van een cardiologen. Bedoeling was het opnieuw versterken van de lichamelijke vermogens die afgenomen waren door de verplichte mobilisatie ten gevolge van de hartaanval maar ook door het verlies van een deel van de contractiekracht van de hartspier.

Nadien richtte de hartrevalidatie of‘cardiale revalidatie zich op andere soorten hartpatiënten:

- mensen met kransslagaderoverbruggingen.

- patiënten met een vervangklep.

- patiënten na coronaire angioplastiek.

- mensen die aan hartinsufficiëntie leden.

- patiënten die wachtten op of herstelden van een harttransplantatie waren.

- patiënten bij wie een inwendige defibrillator was geplaatst.

Tegelijk hebben de revalidatieteams zich versterkt met maatschappelijk werkers, psychologen(belangrijk), voedingsdeskundigen, met de bedoeling werkelijk multidisciplinaire teams te vormen die in staat zijn de patiënt niet alleen te helpen met de fysieke en medische aspecten van zijn ziekte, maar ook met de psychosociale aspecten en in de verdere strijd tegen cardiovasculaire risicofactoren. Precies daardoor zijn de concepten ‘hartrevalidatie’ en ‘cardiovasculaire preventie’ tegenwoordig nauw met elkaar verbonden geraakt.

In 1996 erkende het RIZIV het nut en het specifieke karakter van de hartrevalidatie en sloot het een overeenkomst met enkele ‘erkende’ centra; die genieten van dan af een bevoorrechte terugbetaling voor een maximum van 45 revalidatiesessies, mits ze binnen de zes maanden na het infarct of de ingreep aan het hart gebeuren onder leiding van een multidisciplinair team.

Heel onlangs werden enkele indicaties voor hartrevalidatie door de minister voor volksgezondheid opnieuw ter discussie gesteld, hoofdzakelijk om budgettaire redenen. De Belgische Federatie van Centra voor Cardiale Revalidatie onderhandelt momenteel met het ministerie en met het RIZIV om de medische criteria die hartrevalidatie toelaten te herzien en te actualiseren.

Doelstellingen van hartrevalidatie.

Toen de hartrevalidatie het levenslicht zag, luidde de definitie van de WGO als volgt: « Hartrevalidatie omvat het geheel van de medische,fysische, psychologische en sociale middelen die een hartpatiënt in staat moeten stellen zo snel mogelijk en op eigen kracht opnieuw een zo normaal mogelijke plaats in te nemen binnen de samenleving».

In die tijd was het er in feite voornamelijk om te doen dat mensen die een Hartinfarct hadden gekregen en vaak nog vrij jong waren maar door het infarct gewoonlijk als definitief afgeschreven voor de arbeidsmarkt werden beschouwd, opnieuw aan de slag konden gaan aangezien er toen meer dan werk genoeg was.

In een rapport over de situatie van de functionele revalidatiegeneeskunde in België, gepubliceerd in oktober 2004, definieerde professor Serge Degré, voorzitter van de werkgroep cardiale revalidatie, de doelstellingen als volgt: « Voor de cardiale revalidatie is een goede evaluatie van de fysieke, psychische en sociale stoornissen nodig om het ontstaan van handicaps zoveel mogelijk te voorkomen. Daarbij moet ervoor worden gezorgd dat de zieke adequaat meewerkt aan de secundaire preventie.

Dat proces moet vroeg worden gestart, onafgebroken worden voortgezet en volgehouden.

De cardiale revalidatie is dus een combinatie van fysieke training, psychosociale follow-up en wijziging van risicofactoren, onder leiding van de voorschrijvend revalidatiecardioloog, met het oog op de verbetering van het fysieke en psychische vermogen (disability) en een vermindering van de sociale handicap. De uiteindelijke bedoeling van de cardiale revalidatie is dus het herstel en het behoud van een optimale mentale, fysieke, sociale en professionele functie.

Door de strijd tegen het sedentair leven, de HTA controle in geval van diabetes en dyslipidemieën, het stoppen met roken neemt de cardiovasculaire mortaliteit af, verbetert het functionele vermogen, vermindert de myocardischemie, vertraagt en kentert de evolutie van de coronaire atherosclerose en neemt bijgevolg het risico op nieuwe acute aandoeningen af».

In de huidige definitie wordt meer nadruk gelegd op secundaire preventie, sociale re-integratie en levenskwaliteit dan op de louter professionele aspecten.

Hartaandoeningen treffen immers oudere mensen, die reeds met pensioen of brugpensioen zijn, en in de huidige economische context is opnieuw aan het werk gaan niet meer zo’n zekerheid als vroeger.

Hoe verloopt een hartrevalidatieprogramma?

Als voorbeeld nemen we het programma zoals het wordt toegepast in het hartrevalidatiecentrum.

Dit programma omvat twee hoofdonderdelen: de ziekenhuisfase en de ambulante fase.

Ziekenhuisfase

Na een infarct of een heelkundige ingreep aan het hart worden de eerste contacten met de patiënt en zijn familie gelegd tijdens het korte verblijf op de eenheid voor intensieve zorgen.

Afhankelijk van de toestand van de patiënt kan al aan passieve mobilisatie in bed gewerkt worden. De maatschappelijk werker en de psycholoog ontmoeten de patiënt en zijn familie, helpen bij het regelen van enkele onmiddellijke problemen (ziekenfonds, werkgever enz.) en zorgen voor de nodige steun in deze moeilijke momenten.

Na 24 uur of enkele dagen wordt de patiënt overgebracht naar de hospitalisatie-eenheid Voor een verblijfsduur die dankzij de medische verwikkelingen, 8 tot 10 dagen na een heelkundige volgens een schema dat aan de situatie wordt aangepast: oefeningen aan de rand van het bed, opstaan, stappen, trappen doen, ergometrische fiets. Na een heelkundige ingreep wordt ademhalingskinesitherapie toegepast: sprays, begeleide beademing, zuurstoftherapie, stimulering van de luchtwegen.

De bewaakte parameters zijn de hartfrequentie, de bloeddruk, de zuurstofverzadiging en de klinische tekenen (buiten adem? pijn in de borstkas?). De maatschappelijk werker en de psycholoog staan ter beschikking van de patiënt om de administratieve problemen te regelen, de psychologische steun verder te zetten en hem of haar te informeren over de mogelijkheden inzake hartrevalidatie. De diëtist(e) ontmoet de patiënt en diens partner om het te hebben over problemen met het onevenwicht in de voeding.

Ambulante fase

Wekelijks wordt een multidisciplinaire consultatie georganiseerd. Voor een infarct vindt ze plaats één tot twee weken na het verlaten van het ziekenhuis, voor een heelkundige ingreep is dat na drie tot vier weken. De patiënt ontmoet individueel ieder lid van het team voor de aspecten die betrekking hebben op diens discipline.

De maatschappelijk werker en de psycholoog staan opnieuw ter beschikking van de patiënt om psychologische problemen aan te pakken (moeilijke aanvaarding van het gezondheidsprobleem, depressie, onrust enz.) en om de administratieve problemen te regelen (werk, studies, ziekenfonds enz.). Psychologen en voedingsdeskundigen geven advies over het aanpakken van de risicofactoren en een betere manier van leven (roken, voeding, lichaamsbeweging).

De cardioloog, die medisch verantwoordelijk is en het revalidatiecentrum leidt, onderzoekt de patiënt, stelt het risiconiveau en de functioneringsproblemen vast, ziet toe op het programma waarmee de patiënt opnieuw aan lichaamsbeweging leert doen, gaat na of de behandeling met geneesmiddelen aangepast is en dringt aan op het aanpakken van de risicofactoren. Een inspanningsproef op een ergometrische fiets, met meting van het maximale zuurstofverbruik, gebeurt bij de aanvang van de revalidatie en een medisch rapport wordt overgemaakt aan de behandelende artsen (huisarts en cardioloog).

Na afloop van de 45 sessies vindt opnieuw een ergospirometrie plaats en een laatste consultatie; opnieuw worden de resultaten verzonden naar de behandelende artsen.

Kinesitherapeuten spelen een essentiëlerol bij de toepassing van het fysieke trainingsprogramma dat de hoofdbrok van de hartrevalidatie vormt.

De kinesitherapeut stelt een individueel activiteitenprogramma samen op grond van wat de patiënt kan, rekening houdend met eventuele andere handicaps en met de resultaten die de cardioloog heeft meegedeeld, meer bepaald de ergospirometrie.

De RIZIV overeenkomst laat momenteel maximum 45 sessies toe binnen de 6 maanden na het infarct of de hartingreep, verdeeld over 3 tot 5 sessies per week. Die 45 sessies vallen uiteen in twee niveaus. Bij het eerste niveau wordt gedurende een twintigtal sessies van een uur gewerkt aan de conditie.

Bij het tweede niveau duren de sessies eveneens een uur en leert de patiënt qua inspanning zijn grenzen kennen en de intensiteit van zijn inspanning zelf onder controle te houden.

Elke sessie omvat turnoefeningen voor de algemene soepelheid en versteviging, maar er worden iedere keer ook toestellen gebruikt: ergometrische fiets, roeitoestel, loopband, fitnessmaterieel. Tijdens de eerste dagen van het eerste niveau worden de patiënten permanent onder toezicht van een telemetrische elektrocardiograaf geplaatst en nadien onder toezicht van een hartfrequentiemeter, waardoor men een trainingsprofiel kan opstellen en het inspanningsprogramma beter kan afstemmen op de mogelijkheden van de betrokkene.

Welk nut kan hartrevalidatie hebben?

De eerste vraag die men stelt slaat doorgaans op het nut wat de verbetering van de cardiovasculaire gezondheid betreft, of nauwkeuriger uitgedrukt: is erna hartrevalidatie sprake van minder mortaliteit en recidief.

Een duidelijk antwoord geven op deze vraag is nooit gemakkelijk geweest.

In de eerste plaats was het aantal patiënten in vergelijkende onderzoeken, waarbij een groep die hartrevalidatie heeft genoten wordt vergeleken met een groep die dat niet heeft, doorgaans nooit groot genoeg om verschillen aan te tonen die statistisch significant zijn. Men is dan een aantal onderzoeken bijeen gaan brengen in wat dan een ‘metaanalyse’ wordt genoemd, en aan de hand daarvan kon wel een significant verschil worden aangetoond: een daling met 20 tot 24% van de totale mortaliteit en met 25% van de mortaliteit door een volgend infarct bij de groep van gerevalideerde patiënten. In de tweede plaats kan men zich afvragen.

of revalidatie nog echt noodzakelijk is, nu men over krachtige middelen beschikt om kransslagaderpatiënten te verzorgen: trombolyse, angioplastiek, stents, heelkunde, doeltreffende geneesmiddelen… Toch is het antwoord daarop bevestigend gezien de resultaten van een recent onderzoek dat een significante daling aantoonde van de totale mortaliteit (20%) en van de mortaliteit ten gevolge van hartaandoeningen (26%), terwijl er eveneens gunstige tendensen zijn wat de vermindering betreft van het aantal infarctrecidieven (21%), van het aantal heelkundige ingrepen (13%) en van het aantal angioplastieken (19%).

Als men het totale plaatje bekijkt zou de financiering van revalidatiecentra dus een netto winst kunnen betekenen voor onze sociale zekerheid, al valt het onze bewindslieden dikwijls moeilijk dat toe te geven!

De echte winst door hartrevalidatie wordt evenwel zonder enige twijfel geboekt op het vlak van een betere levenskwaliteit. Tot de gunstige effecten van hartrevalidatie behoren een toename van de fysieke mogelijkheden (+11 tot +36%) en daardoor ook meer gemak bij het verrichten van de dagelijkse activiteiten, een goede dosering bij inspanningen, kennis van de eigen grenzen en toegenomen zelfvertrouwen. De re-integratie in de familiale en sociale omgeving en in het beroepsmilieu verloopt gemakkelijker. Men krijgt meer inzicht in de aanpak van risicofactoren en past die ook beter toe, wat leidt tot een veel gezondere manier van leven. Er zijn patiënten die zo tevreden en overtuigd zijn van de positieve invloed die van de revalidatie uitgaat, dat ze op vrijwillige basis met een programma van lichaamsbeweging doorgaan in ‘coronaire clubs’ of andere fitnesscentra.

Besluit

Hartrevalidatie zoals ze tegenwoordig in erkende centra gebeurt volgens de regels van de overeenkomst en begeleid door multidisciplinaire teams, brengt voor hartlijders en hun gezin een hele reeks gunstige effecten met zich mee. En toch volgt in België naar schatting slechts 15 tot 30% van de patiënten voor wie geen medische contra-indicatie geldt, een hartrevalidatieprogramma!

Dat heeft te maken met een gebrek aan belangstelling bij bepaalde cardiologen, met ontoereikende informatie van de patiënten en met een ongelijke geografische spreiding van de revalidatiecentra, maar ook met het feit dat de wetgeving die de zorgprogramma’s in de cardiologie definieert niet is afgestemd op de wetgeving over de RIZIV overeenkomsten i.v.m. hartrevalidatie.

Intussen heerst er een veeleer beperkend klimaat, waarbij bepaalde indicaties die recht geven op terugbetaalde revalidatie worden geschrapt in de ijdele hoop dat dit besparingen in de sector gezondheidszorg gaat opleveren… Maar dat zal de verantwoordelijken van onze hartrevalidatiecentra niet beletten om, roeiend met de riemen die ze hebben, hun activiteiten verder te zetten en te blijven werken aan een zo mogelijk langer maar alleszins aangenamer leven voor hun hartpatiënten!

Hartrevalidatie

Kunsthart - mechanisch hart

Video Caption: Best London Corporate
Video Duration: 01 : 35

Een mechanisch hart dat het ook op lange termijn even goed doet als een transplantatiehart is momenteel nog niet beschikbaar, al is de medische wereld hier volop naar op zoek. Patiënten met een levensbedreigend hartprobleem gaan na een harttransplantatie vaak nog heel wat gezonde jaren tegemoet. Om de soms lange wachttijd te overbruggen wordt steeds vaker gebruik gemaakt van een kunsthart.

‘Toch proberen we in de eerste plaats transplantaties te vermijden. We halen alles uit de kast om de patiënt weer fit te krijgen zonder donorhart’, klinkt het op de diensten cardiologie en cardiochirurgie van het UZA. Het UZA voerde zijn eerste harttransplantatie uit in 1994.

Wie komt in aanmerking voor een harttransplantatie

'Vanwege het beperkte aantal donorharten blijft een harttransplantatie voorbehouden aan patiënten met ernstig chronisch Hartfalen die zonder ruilhart nog maar een tot twee jaar te leven hebben of van wie de levenskwaliteit heel laag is. We spreken dan van mensen die zich nog hooguit van de zetel naar het bed en terug verplaatsen', zegt prof. dr. Inez Rodrigus, diensthoofd cardiochirurgie in het UZA.

'Chronisch hartfalen is meestal het gevolg van vernauwingen van de kransslagaders. De patiënten in kwestie hebben vaak al meerdere hartinfarcten achter de rug en vertonen ernstige littekenvorming in de hartspier. Daarnaast transplanteren we nogal wat patiënten van wie de hartspier om onbekende reden verzwakt is', verduidelijkt prof. dr. Viviane Conraads, adjunct diensthoofd cardiologie in het UZA en verantwoordelijk voor de hartfalenkliniek.

Voor een eventuele transplantatie aan de orde is, stelt de cardioloog de medicatie van de patiënt volledig op punt en wordt bekeken of klassieke chirurgie nog een oplossing kan bieden. Is dat niet het geval, dan wordt de mogelijkheid tot transplantatie onderzocht. Een uitgebreide screening bepaalt of de patiënt wordt toegelaten op de wachtlijst. Mensen met ernstige aderverkalking in andere bloedvaten dan die van het hart komen bijvoorbeeld niet in aanmerking. De medicatie die een transplantatiepatiënt moet nemen, zou dat proces namelijk dramatisch versnellen. Ook ernstige longaandoeningen, nierproblemen of een beginnende kanker zouden het succes van een harttransplantatie in de weg staan.

Harttransplantatie - Wachttijd en transplantatie

Als de patiënt op de wachtlijst wordt gezet, gaan er meestal een paar maanden voorbij voor er een ruilhart vrijkomt. 'De transplantatie zelf is bij sommige patiënten een grote uitdaging, maar is technisch niet moeilijker dan een andere hartoperatie', merkt Rodrigus op.

Harttransplantatie - Levenskwaliteit en overleving

De meeste patiënten voelen zich een kleine twee weken na de ingreep al beter dan voordien. Ook de vooruitzichten op lange termijn zijn vrij goed.

'Na vijf jaar is gemiddeld zeventig tot tachtig procent van de patiënten in leven. Ze herwinnen tachtig tot negentig procent van hun vroegere fysieke conditie. Meer dan de helft kan weer aan het werk', weet Rodrigus.

Mechanisch hart - kunsthart

Een nieuwe tendens binnen de hartchirurgie is het tijdelijk inschakelen van een mechanisch hart. Bij sommige kandidaten op de wachtlijst is de hartspierfunctie zodanig verzwakt dat ze de periode tot de transplantatie niet kunnen overbruggen. Anderen zijn in zo'n slechte conditie dat ze eerst een stuk beter moeten worden voor ze überhaupt op de wachtlijst kunnen.

'Bij die mensen kunnen we het hart tijdelijk ondersteunen met een zogenaamd biventricular assist device', legt Rodrigus uit. 'Dat is een kunsthart dat zowel het linker- als het rechterhart ondersteunt. De pompfunctie wordt overgenomen door twee kleine hartpompjes die op de buik gedragen worden, en met buisjes in verbinding staan met het hart. Afgelopen zomer hebben we bij vijf patiënten zo'n kunsthart ingeplant. Twee van hen zijn intussen met succes getransplanteerd.'

Een mechanisch hart dat het ook op lange termijn even goed doet als een transplantatiehart is momenteel nog niet beschikbaar, al is de medische wereld hier volop naar op zoek. In België wordt het kunsthart momenteel uitsluitend gebruikt als overbrugging naar een transplantatie.

Stamceltherapie

Een andere piste die vandaag heel sterk in de belangstelling staat is stamceltherapie. Stamcellen zijn cellen die nog tot elk type cel kunnen uitgroeien. Ze kunnen onder meer geoogst worden uit het beenmerg.

'Dit domein bevindt zich nog volledig in de onderzoeksfase. Door de hartspier na een acuut Hartinfarct in te spuiten met stamcellen, zou deze zich misschien gedeeltelijk kunnen herstellen. Maar je spreekt dan over hooguit een paar procent gewonnen weefsel. Bovendien heeft nog geen enkele grote studie aangetoond dat dit met zekerheid werkt. Persoonlijk ben ik er zeker van dat stamceltherapie de harttransplantatie nooit zal kunnen vervangen.'

Hartfalenkliniek

Harttransplantatiepatiënten vormen een heel kleine minderheid binnen de grote groep mensen die na de behandeling van een hartinfarct in de hartfalenkliniek van het UZA terechtkomen. De patiënten worden er gevolgd door prof. dr. Viviane Conraads en een gespecialiseerde verpleegkundige.

‘We bekijken de volledige patiënt’, zegt Conraads. ‘Want de meeste mensen met hartfalen hebben nog bijkomende aandoeningen waar we rekening mee moeten houden. Vandaar wordt er intensief samengewerkt met de andere diensten.’ Via medicatie, intensieve revalidatie, een aangepast dieet en uitgebreid gezondheidsadvies wordt geprobeerd de patiënt zo fit mogelijk te krijgen én te houden. Gaat het ondanks die maatregelen toch de verkeerde kant uit, dan kan een bijkomende operatie soms nog uitkomst bieden. De laatste tien jaar bestaat wereldwijd een tendens om patiënten aan wie vroeger meteen een transplantatie werd aangeraden, toch nog van de wachtlijst te houden met behulp van doorgedreven chirurgie.

‘We doen al het mogelijke om een transplantatie te vermijden. Want uiteindelijk blijft ook een donorhart een tijdelijke oplossing. Elk jaar uitstel is dus een jaar gewonnen’, besluit Conraads

Bypassoperatie

Tijdens een bypassoperatie wordt een omleiding aangelegd, waardoor het bloed niet meer door het vernauwde bloedvat gaat. Vanaf het hart lopen bloedvaten, de slagaderen, naar alle delen van het lichaam. Hierdoor stroomt het bloed, dat zuurstof naar de spieren brengt. Omdat de slagaderen in uw been vernauwd zijn, kan er te weinig bloed naar de spieren in uw onderbeen komen. Hierdoor krijgt u pijn en wordt het lopen bemoeilijkt.

De bypassoperatie

Tijdens een bypassoperatie wordt een omleiding aangelegd, waardoor het bloed niet meer door het vernauwde bloedvat gaat, maar langs een nieuwe weg. Het nieuwe bloedvat kan een grote ader uit een van uw benen zijn.

In de benen bevinden zich namelijk zoveel aderen, dat het mogelijk is er één uit te halen om te gebruiken. Voorwaarde is wel dat deze ader geschikt is.

Om te bepalen of de ader geschikt is als omleiding krijgt u een duplex-onderzoek, één dag voor de operatie.

Tijdens dit onderzoek wordt er, door middel van geluidsgolven, geluisterd en gekeken naar de richting en de snelheid van de bloedstroom in het bloedvat. Op het been wordt, het gedeelte van de ader dat gebruikt gaat worden, met viltstift aangegeven. Deze strepen mag u niet wegwassen voor de operatie. De arts hoeft dan tijdens de operatie niet te zoeken waar en hoe de ader loopt. Is de ader niet geschikt om als omleiding te gebruiken, dan wordt een kunststofslagader gebruikt om de omleiding te maken.

Het onderzoek is volkomen pijnloos en ongevaarlijk. De duur van het onderzoek is afhankelijk van het aantal bloedvaten dat onderzocht moet worden: minimaal 30 minuten en maximaal 60 minuten.

Voorbereiding op een bypassoperatie

Vóór iedere operatie zijn onderzoeken noodzakelijk, zoals bloedonderzoek, een hartfilmpje en eventueel longfoto’s. Indien nodig worden er nog afspraken voor u gemaakt bij de cardioloog en de internist.

Opnamedag

U wordt meestal één dag vóór de operatie opgenomen.

Op de opnamedag krijgt u bezoek van de arts die u zal opereren en ontmoet u de anesthesioloog. Ook komt de coassistent bij u langs om uw medische gegevens op te nemen.

De verpleegkundige zal u inlichten en voorbereiden op de operatie.

Voorbereiding

Bij de voorbereiding hoort het ontharen van uw beide benen en liezen. De avond vóór de operatie wordt u gelaxeerd door middel van een klysma. Vanaf 24.00 uur moet u nuchter blijven, dat wil zeggen niet meer eten, drinken of roken.

Voor de operatie

’s Ochtends vroeg krijgt u een injectie in het bovenbeen, dit is om trombose te voorkomen. U heeft ook nog de gelegenheid om een douche te nemen.

Enige tijd vóór de operatie krijgt u een voorbereidende injectie in het bovenbeen. Daarna wordt u naar de operatieafdeling gebracht. Er wordt een urinekatheter in de blaas gebracht om de urine af te voeren.

De operatie

De chirurg beoordeelt eerst of de gekozen ader in goede staat is. Indien deze ader geschikt is wordt deze losgemaakt. De lengte van de snede is afhankelijk van het te gebruiken stuk ader. Vervolgens wordt het stuk aangesloten op de vernauwde slagader. Indien uw eigen ader niet geschikt is, kan gebruik worden gemaakt van een kunstofbuisje. Dit wordt op dezelfde manier aangesloten op de slagader.

Meestal laat de chirurg drains achter in het wondgebied. Dit zijn kleine slangetjes die het vocht uit de wond afvoeren.

Na de operatie

U wordt naar de uitslaapkamer of recovery gebracht. Daar worden uw hartslag, bloeddruk en ademhaling gecontroleerd. Als alle controles stabiel zijn, wordt u naar de afdeling Intensive Care gebracht. Ook daar vinden regelmatig controles plaats. Als u zich goed voelt krijgt u ’s avonds iets te drinken.

De dagen na de ingreep

De dag na de operatie wordt u teruggebracht naar de verpleegafdeling. Vanaf heden kunt u weer gewoon eten en drinken. U mag ook direct uit bed. Om te voorkomen dat er trombose ontstaat, krijgt u via een infuus antistollingsmedicijnen toegediend. Uw bloed wordt dagelijks gecontroleerd. Zodra de bloeduitslag het toelaat, krijgt u bloedverdunnende tabletten en kan het infuus verwijderd worden.

Dagelijks wordt de doorbloeding van de benen gecontroleerd. Vanaf de eerste dag na de operatie wordt u dagelijks begeleid door de fysiotherapeut. De hechtingen worden 12 dagen na de operatie verwijderd.

Complicaties

Een bypassoperatie is een grote ingreep. Bij deze operatie kunnen zich complicaties voordoen. De meest voorkomende complicaties bij en na een bypassoperatie zijn:

- vochtophoping in de lies; dit is hinderlijk, maar niet pijnlijk en verdwijnt vanzelf;

- ontsteking van de wond; dit kan optreden tijdens uw verblijf in het ziekenhuis en zal direct behandeld worden; beschadiging van een zenuw, waardoor een huidgebied in het bovenbeen gevoelloos wordt.

- een vochtophoping in het onderbeen (oedeem), dit kan hinderlijk zijn, maar verdwijnt in de loop der tijd.

- trombose: dit is een afsluiting van een bloedvat. Het been wordt dan bleek en koud en het is belangrijk dat u direct de verpleegkundige of de huisarts benaderd. U zult dan voor de rest van uw leven antistollingsmedicijn moeten gebruiken. .

De volgende complicaties komen niet vaak voor, maar het is goed dat u er van op de hoogte bent:

- een infectie van de kunststofbuis; dit kan kort na de ingreep optreden; u zult dan opnieuw geopereerd moeten worden;

- tijdens de operatie kan onverwacht een afsluiting van een bloedvat ontstaan, waardoor weefsels geen bloed meer krijgen; in het ernstigste geval kan amputatie van tenen, voet of het been het gevolg zijn; de kans bestaat dat de klachten terugkeren: zowel uw eigen ader als de kunststofbuis kan na korte of langere tijd opnieuw dichtslibben; dan kan een nieuwe operatie nodig zijn..

Naar huis

Wanneer u weer naar huis kunt is afhankelijk van uw herstel. Dat kan vanaf de 12e dag na de operatie zijn, maar het kan ook iets langer duren. U krijgt dan een afspraak mee voor de polikliniek.

Leefregels

De bypassoperatie is een operatie die als doel heeft uw klachten te verminderen; de oorzaak van uw klachten verandert niet door de operatie. Dat uw bloedvaten vernauwd zijn komt door aderverkalking.Deze vaatziekte kan alle slagaderen van het lichaam aantasten. Bij aderverkalking zijn de wanden van de bloedvaten minder soepel en raken sneller beschadigd. Doordat de wand dan niet glad meer is, blijft er snel iets aan kleven en wordt de wand dikker. Vooral cholesterol kleeft snel aan de vaatwand en wordt op den duur hard. Het vat slibt zo langzaam maar zeker dicht.

- Soms is de oorzaak erfelijk: in bepaalde families komt atherosclerose veel voor.

- Een andere oorzaak is de manier van leven: Roken vernauwt de bloedvaten en versterkt het proces.

- Weinig bewegen vraagt ook weinig stroomsnelheid van het bloed, waardoor sneller stolsels kunnen ontstaan.

- Veel en vet eten zorgt voor een hoog cholesterolgehalte van het bloed.

René Favaloro: de eerste bypassoperatie

De eerste bypassoperatie werd uitgevoerd in 1967 in een ziekenhuis in het Amerikaanse Cleveland. Uitvoerend hartchirurg was de Argentijn René Favaloro, die kort daarvoor ook het concept voor deze nieuwe behandeling had bedacht. Een paar jaar later ging Favaloro als een gevierd man terug naar zijn vaderland, waar hij zich inzette om de cardiologie op een hoger plan te brengen

Harttransplantatie

Harttransplantaties worden voorbehouden aan patiënten die zonder ruilhart niet meer kunnen leven. De eerste harttransplantatie in het UZA dateert van 1994. Het programma werd opgestart onder leiding van cardiochirurgie professor dokter Adriaan C. Moulijn, die zelf de eerste tien ingrepen uitvoerde. Van de vijftig eerste patiënten waren er in 2003 nog 46 in leven.

Wie komt in aanmerking voor een harttransplantatie?

Harttransplantaties worden voorbehouden aan patiënten die zonder ruilhart niet meer lang te leven hebben.

'Een eerste grote groep zijn patiënten die problemen hebben met de kransslagaders', zegt professor dokter Inez Rodrigus, diensthoofd cardiochirurgie. 'De meesten hebben al een of meerdere hartinfarcten achter de rug, en kampen met ernstige littekenvorming in de hartspier. Een tweede groep zijn mensen van wie het hart faalt zonder aanwijsbare oorzaak.'

Een transplantatiekandidaat moet aan een aantal criteria voldoen. In principe mag hij niet ouder zijn dan 65, en op zijn hartziekte na mag hij geen ernstige gezondheidsproblemen hebben. Na de operatie moet de patiënt immers afweeronderdrukkende medicatie nemen, waardoor bestaande aandoeningen kunnen escaleren.Men moet een zekere discipline aan de dag leggen.

'Mensen die bijvoorbeeld niet kunnen stoppen met roken of overmatig drinken, kunnen we niet toelaten', zegt cardiologe professor dokter Viviane Conraads. 'We beschikken nu eenmaal over een beperkt aantal donororganen, en het is de bedoeling dat daar zo lang mogelijk mee geleefd wordt. Als we dus moeten kiezen tussen iemand die zich perfect aan de regels houdt en iemand die dat niet kan opbrengen, krijgt die eerste persoon de voorkeur.'

Harttransplantatie - Hoe verloopt de ingreep

Zodra iemand op de lijst belandt, begint een slopende periode van gespannen wachten op het verlossende telefoontje. Komt er een donorhart vrij, dan moet alles heel snel gaan. De transplantatiekandidaat moet ogenblikkelijk naar het ziekenhuis komen, een team vertrekt naar het andere ziekenhuis om het hart op te halen, het transplantatieteam wordt opgeroepen, de operatiezaal wordt in gereedheid gebracht en ook op intensieve zorgen worden de nodige voorbereidingen getroffen. Is het donorhart eenmaal verwijderd, dan is er geen tijd te verliezen. Een hart kan immers maar vier uur bewaard worden.

De harttransplantatie zelf is een lange en zware ingreep.

'Nadien blijft de patiënt nog een tweetal weken in het ziekenhuis. De meesten knappen snel op. Vaak zitten ze al een week na de operatie op de hometrainer, en het merendeel voelt zich al voor het ontslag beter dan voor de operatie', aldus Conraads.

Eerste jaar na een harttransplantatie.

Na de transplantatie is het afwachten of het lichaam het donororgaan zal accepteren. Het eerste jaar is het risico op afstoting het grootst. In die periode moet de patiënt dan ook heel vaak op controle. Om afstoting te voorkomen krijgt hij medicijnen die zijn afweermechanisme onderdrukken. Dat heeft op zijn beurt als gevolg dat hij meer gevaar loopt op infecties. Een harttransplantatiepatiënt moet dan ook de nodige voorzichtigheid aan de dag leggen : hygiënisch leven, opletten met wat hij eet, infectiehaarden vermijden, tijdig zijn medicatie nemen.

Naast de controles is er een intensieve revalidatie van zes maanden, waarvoor de patiënt drie keer per week naar het ziekenhuis komt.

Nuttige informatie over littekenweefsel Een litteken is een blijvend zichtbare afwijking van de huid, die overblijft na genezing van een wond. Littekens worden gevormd na diepe beschadiging van de huid, door een ongeval of operatie. Na een operatie wordt het litteken de handtekening van de chirurg genoemd. Hecht hij de wondranden zeer nauwkeurig tegen elkaar zonder da er een spanning op staat, dan zal een nauwelijks zichtbaar litteken ontstaan, tenzij de wond na de operatie te weinig rust krijgt door beweging van de huid. De hals èn het gebied rond het sleutelbeen is erg gevoelig voor het krijgen van lelijke littekens, ofschoon dit erg huidskleur gebonden is. Wanneer alleen de opperhuid wordt beschadigd, bijvoorbeeld bij oppervlakkige schaafwonden, zullen geen littekens optreden. Wanneer ook de lederhuid bij het letsel betrokken is zal de huid zich herstellen met achterlating van een litteken. Bij de meeste mensen geneest een wondje zonder problemen. Het litteken wat dan achterblijft is pigmentloos. Een litteken kan zich ook abnormaal ontwikkelen. We kennen drie vormen van abnormale littekens.

Atrofische littekens: Bij deze littekens is er sprake van een heel dun laagje littekenweefsel. Het litteken ligt wat dieper in de huid. Dit soort littekens worden wel gezien als restanten van huidbeschadigingen na infecties en na Röntgenbestralingstherapie. Atrofische littekens komen vaak voor na acne of waterpokken.

Hypertrofische littekens: Hypertrofische littekens kunnen na elke soort van huidbeschadiging ontstaan. Vaak ontwikkelen deze littekens zich na brandwonden en bij jonge mensen. Het litteken is dik, rood en het kan jeuken of pijnlijk zijn. Deze ontstaan bij overproductie van fibrineweefsel door bindweefselcellen in de huid, waardoor sterk verdikte littekens ontstaan. Het zijn dikke, roze strengen en plaques op de huid die circa 3 weken na de verwonding ontstaan en in een periode van een aantal maanden tot een jaar voortdurend dikker worden. Vooral de huid boven het borstbeen, de schouders, de nek en de oren is geneigd tot de vorming van deze hypertrofische littekens. Een aanleg tot het vormen van deze littekens is vaak familiair- of rasgebonden.

Keloïd littekens: Keloïd littekens zijn een bijzonder soort hypertrofische littekens. Terwijl gewone hypertrofische littekens zich beperken tot de plaats van de verwonding, groeien keloiden ook over de grenzen van de verwonding heen. Ze kunnen zo vrij grote huidgebieden bedekken. Ook dit litteken is dik en rood of donkergekleurd. Keloid littekens kunnen ontstaan na een beschadiging van de huid, maar in tegenstelling tot gewone hypertrofische littekens kunnen ze ook spontaan ontstaan.

Pacemaker

Pacemaker - Als het ritme te laag is, dan geeft de pacemaker stroomstootjes af om het goede ritme te herstellen. Het hart trekt samen door een elektrische prikkel. Die prikkel ontstaat in een centrum in de rechterboezem: de sinusknoop. Vanuit de sinusknoop verspreidt de prikkel zich over de boezems. Tussen de boezems en de kamers zit een tweede centrum: de AV-knoop.

Deze houdt de elektrische prikkel heel even vast en verspreidt hem dan bliksemsnel over de kamers. Als de elektrische prikkel verkeerd, te langzaam of te snel door het hart loopt, ontstaat een ritmestoornis.

Als het hart te langzaam klopt, spreken we van bradycardie en als het te snel klopt van tachycardie. Er bestaan tal van ritmestoornissen die op allerlei manieren van elkaar verschillen. De meeste ritmestoornissen zijn goed te behandelen. Soms zijn ze onschuldig en hoeven niet te worden behandeld, maar het kan ook voorkomen dat ze erg hinderlijk of zelfs levensbedreigend zijn.

Wanneer een Pacemaker

Een pacemaker is ontworpen voor de behandeling van een trage hartslag. Wanneer mensen het over een pacemaker hebben, bedoelen ze eigenlijk een stimulatiesysteem: een pacemaker, een stimulatiegeleidingsdraad of -draden en een programmeerapparaat. Twee onderdelen worden in het lichaam geïmplanteerd: de pacemaker en geleidingsdraad of -draden.

•De pacemaker is een kleine metalen behuizing met daarin elektronica en een batterij. De pacemaker bewaakt het hart continu en wanneer het eigen ritme van het hart onderbroken, te traag of onregelmatig is, geeft de pacemaker elektrische stroomstootjes af om het hart te stimuleren.

•De stimulatiegeleidingsdraad is een geïsoleerde draad die de kleine elektrische stroomstootjes overbrengt van de pacemaker naar het hart om het hartritme te reguleren.

•Het derde onderdeel, het programmeerapparaat, blijft in het ziekenhuis. Een verpleegkundige of arts gebruikt de speciale computer om te bekijken hoe de pacemaker werkt en zo nodig de instellingen van de pacemaker aan te passen.

De drie onderdelen van een stimulatiesysteem werken samen om bradycardie (een te trage hartslag) te behandelen.

Door het gebruik van een stimulatiesysteem wordt de hartslag verhoogd zodat er meer zuurstof in het lichaam komt.

Het Nederlandse woord voor een pacemaker is gangmaker.

Toepassing voor een pacemaker

Er zijn globaal vier verschillende soorten pacemakers.

AAI-pacemaker

AAI pacemaker is de meest natuurlijke pacemaker die er is. De sinusknoop geeft een elektrische prikkel af aan de boezems. De boezems trekken hierdoor samen en het bloed wordt de kamers in gepompt. Wanneer er geen prikkel wordt gevormd door de sinusknoop zal er geen boezemactiviteit zijn. De pacemaker valt in en geeft een spanningspuls af in het hart.

De pacemakerdraad (lead) geeft de pacemaker informatie (in de vorm van een spanning) van wat er in de boezems afspeelt.

VVI-pacemaker

VVI pacemaker werkt op hetzelfde principe als de AAI alleen ligt de lead in de kamer van het hart. Voor deze pacemaker wordt gekozen wanneer er bijvoorbeeld boezemfibrileren is en dit niet te couperen is door cardioversie. Daarnaast heeft het hart een te laag ritme danwel vertoont lange pauzes.

DDD-pacemaker

De DDD pacemaker bestaat uit een AAI en VVI functie in een pacemaker en heeft dus twee leads. Hierbij wordt een stukje AV logica toegevoegd. Deze logica zorgt voor de tijdsvertraging tussen de boezems en kamers. Deze pacemaker wordt toegepast wanneer de AV-knoop niet meer of onbetrouwbaar werkt.Deze pacemaker stimuleert zowel de boezems als de kamers tot samentrekken.

Cardiac Resynchronization Therapy (CRT)-pacemaker

Deze pacemaker zorgt ervoor dat bij patiënten met Hartfalen de twee kamers weer tegelijk samentrekken.

Implantatie van een pacemaker

De pacemaker wordt onder de huid boven de rechter- of linkerborstspier geïmplanteerd. Dit gebeurt meestal onder plaatselijke verdoving. De arts maakt een klein zakje onder de huid (pocket) waarin het apparaatje (pulsgenerator) wordt geplaatst. Via de sleutelbeenader en de grote holle ader schuift men de elektrode(n) naar het hart. De elektrode haakt vast aan de binnenzijde van de hartwand met weerhaakjes of een soort kurkentrekkertje. Wanneer de chirurg ervoor kiest de elektrode(n) op het hart vast te maken, gebeurt dat met een openhartoperatie.

Na afloop controleert de arts of de pacemaker goed werkt en pas dan wordt de pocket met hechtdraad gesloten. Voor de ingreep is een ziekenhuisopname van enkele dagen noodzakelijk.

Het inbrengen van een pacemaker gebeurt in de hartkatheterisatiekamer, en is een kleine operatie onder plaatselijke verdoving. Onder uw sleutelbeen wordt een ader gezocht en via deze ader worden één of twee draden naar het hart gevoerd. Daarna worden deze draden verbonden met de pacemaker welke onder de huid gelegd wordt. Vervolgens wordt de wond gehecht.

Hierna wordt u teruggebracht naar de afdeling waar u mag herstellen.

Voordat u naar huis mag wordt de werking van de pacemaker nog een keer gecontroleerd. Verdere controles vinden op de Pacemaker poli plaats:

•de eerste poliklinische pacemaker controle is 6 tot 8 weken na implantatie,

•daarna elke 6 of 12 maanden.

Bij deze controles wordt de werking van de pacemaker gecontroleerd (doorgemeten), evenals de batterij. Wij kunnen ruim van tevoren constateren wanneer de batterij van uw pacemaker aan vervanging toe is. Het is belangrijk om weten dat de batterij van een pacemaker nooit plotseling leeg raakt. Gemiddeld gaat een batterij 5 tot 10 jaar mee. Als de batterij van uw pacemaker bijna leeg is, krijgt u een nieuwe pacemaker. De draden naar het hart blijven gewoon zitten. De vervanging kan opnieuw onder plaatselijke verdoving gebeuren zoals dat boven al beschreven is.

In het dagelijkse leven merkt u er vrijwel niets van dat u een pacemaker draagt en alle dagelijkse bezigheden kunt u normaal blijven doen. Beïnvloeding door elektrische apparaten is uitzonderlijk, zeker voor apparatuur die in en om het huis gebruikt wordt. Bij twijfel kan men het beste overleggen met de arts of pacemaker technicus bij de opname of tijdens de controles.

Pacemaker: Voordelen en risico's

Een implanteerbare pacemaker verlicht de symptomen van een trage, onregelmatige hartslag. Dit wordt gedaan door het herstellen van een normaal hartritme. Bij een normaal hartritme is er sprake van een goede bloedcirculatie in uw lichaam.

Voordelen

Een pacemaker kan de symptomen van bradycardie vaak opheffen door het hartritme te reguleren. Dit wil zeggen dat patiënten vaak meer energie en meer adem hebben. Uw aandoening wordt echter niet genezen door een pacemaker. De hartaandoening wordt niet voorkomen of gestopt; ook worden hartaanvallen niet voorkomen.

Risico's

De risico's die verbonden zijn aan de implantatie van een pacemakersysteem, zijn onder andere infectie op de operatieplek en/of overgevoeligheid voor materialen van het apparaat, niet-afgeven van therapie wanneer het nodig is, of ontvangen van extra therapie wanneer het niet nodig is.

Na de implantatie van een implanteerbaar pacemakersysteem gelden beperkingen met betrekking tot magnetische en elektromagnetische velden, apparaten op elektriciteit of gas, en gereedschappen die u mag gebruiken.

Dotteren

Dotteren is een behandeling die in het verlengde ligt van een hartkatheterisatie. Katheteriseren is namelijk niet alleen geschikt om de kransslagaderen te onderzoeken op vernauwingen door slagaderziekte, maar ook om die vernauwingen effectief te behandelen. Een spaghettidun slangetje (katheter) met op de punt een leeg ballonnetje wordt via de slagaders naar de plaats van de vernauwing gebracht.

Op die plaats aangekomen, wordt het ballonnetje opgepompt, wat goed zichtbaar is op een monitor met een röntgenfilmpje. De elastische slagaderwanden worden uit elkaar gedrukt, waarna het ballonnetje leegloopt. Op het röntgenfilmpje is direct te zien of de vernauwing minder is geworden. Zo nodig wordt het oppompen van het ballonnetje een paar keer herhaald.

Om de slagaderwanden vervolgens in hun nieuwe positie vast te zetten wordt de vaatwand vaak versterkt met een minuscuul buisje, een stent. Een stent is een soort steunkous voor de binnenwand van de slagader.

Dotteren in combinatie met stents is een behandeling, die zich razendsnel ontwikkelt. De behandeling wint terrein ten opzichte van het alternatief bij ernstig vernauwde kransslagaderen, de bypassoperatie.

De dotterbehandeling heeft tot doel om een vernauwing in de kransslagader op te heffen.

Zo’n behandeling wordt niet zomaar uitgevoerd. Alleen als de vernauwing van de kransslagader vijftig tot zeventig procent is, komt u in aanmerking voor een dotter- of stentbehandeling. Tijdens een dotterbehandeling wordt geprobeerd de vernauwing van een bloedvat op te heffen door de ader met een ballon onder hoge druk op te rekken en eventueel met een buisje (een stent) open te houden.

Wat gebeurt er tijdens een dotterbehandeling?

Voor de dotterbehandeling voert de cardioloog een hartkatheterisatie uit om te zien of deze behandeling de meest geschikte is. De kransslagaderen worden bij dit onderzoek goed in beeld gebracht. De arts gebruikt een geleidekatheter, waardoor bij de dotterbehandeling een flinterdunne metalen draad wordt geschoven. Langs die draad wordt een nog dunner katheter opgeschoven, een ballonkatheter. Daarmee wordt een heel klein ballonnetje in de ader gebracht, dat naar de kransslagader wordt geleid. Op het punt waar een vernauwing is geconstateerd, wordt het ballonnetje opgeblazen. Daardoor wordt de brij of ‘plaque’ platgedrukt die de vernauwing veroorzaakt. De ballon wordt net zo vaak opgeblazen tot de cardioloog er zeker van is dat de ader weer vrij is. Daarna komt de doorstroming van bloed naar de hartspier weer op gang. De cardioloog kan het resultaat van de behandeling meteen zien door een contrastvloeistof in te spuiten. Hij blijft net zolang dotteren tot hij een perfect resultaat heeft bereikt. Als dat met deze behandeling niet lukt, kan de arts alsnog kiezen voor een stentbehandeling.

Dotteren uitvoering

Het hele proces wordt via röntgenbeelden gevolgd. Rondom de operatietafel zitten bogen met röntgenapparatuur, zodat van alle kanten kan worden bekeken hoe de metalen draad door de slagader gaat. Met joysticks en pedalen bedient de interventiecardioloog de röntgenmachine. Loden schermen en loden schorten beschermen de interventiecardioloog en hartfunctielaboratie tegen de straling. Na de behandeling gaat u naar de verpleegafdeling. Daar wordt een aantal ECG’s (link) gemaakt. De verpleegkundigen letten goed op of u geen pijn op de borst krijgt. U blijft nog een aantal uren in het Thoraxcentrum. Terwijl u op uw rug ligt te rusten mag u wel meteen eten en drinken. Veel drinken is belangrijk, omdat de ingespoten contrastvloeistof er via urine uitkomt.

Wat zijn stents?

Stents zijn heel kleine cilindertjes van gaas, metaal of kunststof, te vergelijken met ballpointveertjes. Sommige soorten zijn bekleed met een stolling­werende stof. Ze kunnen worden ingebracht aan de binnenkant van een kransslagader om te voorkomen dat een opgerekt stukje zich opnieuw vernauwt. Loszittende flarden van de plaque worden op die manier vastgedrukt.

Ook een stent wordt via een katheter in een kransslagader gebracht. Daarom behandelen we stentimplantatie en ballondilatatie samen in deze brochure: de manier waarop de vernauwde plek wordt benaderd is hetzelfde.

Er bestaan twee soorten stents. De ene wordt met behulp van een dotterballon tot de juiste maat opgerekt, de andere neemt uit zichzelf de goede maat aan. De stent is genoemd naar een Engelse tandarts uit de 19de eeuw: Charles Stent, die een vorm ontwikkelde om een afdruk te maken van de tanden en de mondholte.

Stent plaatsen

Vaak plaatst de cardioloog na het oprekken van het bloedvat ook een stent, om het bloedvat open te houden. Een stent is een klein buisje van gaas, metaal of kunststof en is gemonteerd op een ballon. Het is te vergelijken met een veertje uit een ballpoint. Sommige soorten stents zijn bekleed met een medicijn. Dit voorkomt dat de vernauwing daar weer ontstaat.

Dotteren - Hoe lang duurt de ingreep?

Dotteren duurt gemiddeld tussen een half uur en een uur.

Resultaat van de dotterbehandeling

De cardioloog beoordeelt het resultaat van de ingreep direct door het inspuiten van wat contrastvloeistof. Voor een goed resultaat is het soms nodig dat het 'oprekken' (het opblazen van de ballon) enkele malen gebeurt. De cardioloog zal net zo lang doorgaan met ‘oprekken’, tot er een goed resultaat is bereikt.

Na de dotter behandeling

Na afloop van de dotterbehandeling wordt het aangeprikte bloedvat in uw lies een tijd met de hand dicht gedrukt of wordt er een zogenaamde ‘plug’ geplaatst. Een plug is een liijmpropje dat het prikgat afdicht. Daarna komt er een drukverband om de lies en moet u nog een tijd stil blijven liggen.

Het is belangrijk dat u na afloop veel drinkt om de nieren tegen het gebruikte contrastvloeistof te beschermen.

U wordt voor een dotterbehandeling in principe een dag opgenomen. De eigenlijke behandeling duurt ongeveer een uur.

Waar u voor en na het dotteren aan moet denken

De ochtend voorafgaand aan het onderzoek kunt u nog een licht ontbijt gebruiken: een kop thee (geen koffie!) met een beschuit of boterham.

Vergeet ook uw nachtkleding niet en een T-shirt zonder knoopjes.

De eerste week na het onderzoek is het belangrijk om uw lies te ontzien. Ga dan niet autorijden, fietsen, persen op het toilet of zware spullen tillen.

Medicijnen

Gebruikt u medicijnen? Bespreek dit op de afspraak met uw cardioloog voorafgaand aan de ingreep. Hij geeft u dan aan welke u kunt blijven innnemen voorafgaand aan de ingreep. Ook geeft uw arts dan aan hoe u uw medicijngebruik kunt hervatten na afloop.

Bent u diabeet? Bespreek in dat geval met uw cardioloog ook of u de dosering van uw diabetes-medicijnen moet aanpassen. Dit is belangrijk, omdat u voor de ingreep nuchter moet zijn of tijdelijk een aangepast dieet volgt. Daarop moet de dosering van uw diabetes-medicijn zijn afgestemd.

Vergeet niet al uw medicijnen op de dag van de ingreep mee te nemen naar het ziekenhuis.

ICD - defibrillator

Een defibrillator is te vergelijken met een pacemaker. Het systeem bestaat uit drie onderdelen: de ICD, geleidingsdraden en programmeerapparaat. Tegenwoordig is de ICD een heel compact apparaat met een volume van ongeveer 36 cm³. Hij werkt als een kleine computer. Via de geleidingsdraad registreert hij voortdurend informatie over het hartritme.

Hij controleert met name of het ritme te snel of te traag is en of het hart regelmatig klopt. Wanneer het normale hartritme verandert, wordt de informatie geregistreerd in de vorm van een grafiek die door de arts kan worden uitgelezen.

Deze gegevens bevatten heel nuttige informatie voor de arts. De arts kan de gegevens uitlezen met behulp van een programmeerapparaat. Zo kan hij, indien nodig, de instellingen van de ICD wijzigen. De energie die nodig is voor de werking van de ICD, wordt geleverd door een speciale batterij met een levensduur van 5 tot 10 jaar, afhankelijk van het gebruik en het model. De ICD kan hartritmestoornissen opsporen en dan ingrijpen. Om deze ritmestoornissen op pijnloze wijze te kunnen onderbreken, geeft de ICD allereerst snelle stimulatiepulsen af aan het hart. In veel gevallen is deze stimulatie voldoende om de episodes van tachycardie te stoppen. Ze zijn niet pijnlijk en de meeste patiënten merken er zelfs niets van.

Indien de tachycardie ondanks de snelle stimulatiepulsen toch aanhoudt, geeft de ICD een elektrische schok af.. Wanneer bij een regelmatig, snel ventriculair ritme zoals een ventriculaire tachycardie een elektrische schok wordt toegediend, wordt van cardioversie gesproken. Indien het ritme van de kamers heel snel en onregelmatig is, zoals in het geval van ventrikelfibrillatie, wordt van een defibrillatieschok gesproken. De cardioversie- of defibrillatieschok is heel doeltreffend in het voorkomen van een hartstilstand. De ICD treedt ook in werking bij een te trage hartfrequentie (bradycardie). Hij werkt dan als een normale pacemaker.

Dankzij de voortdurende vooruitgang op dit terrein zijn momenteel verschillende ICD's beschikbaar voor verschillende behoeften. Er bestaan eenkamersystemen, met één geleidingsdraad in de rechterhartkamer, en systemen met twee geleidingsdraden, één in de rechterhartboezem en één in de rechterhartkamer. Het tweekamersysteem biedt uitgebreidere opsporings- en behandelingsmogelijkheden voor hartritmestoornissen. Er bestaan ook tweekamer ICD-systemen waarmee zowel snelle boezemritmestoornissen als kamerritmestoornissen worden behandeld. De meest recente modellen zijn driekamer ICD-systemen die niet alleen de rechterhartboezem en rechterhartkamer stimuleren, maar ook de linkerhartkamer. Deze systemen waarmee het hart kan worden geresynchroniseerd, worden bij patiënten met een bepaalde vorm van hartfalen gebruikt.

De dagelijkse zelftest van de ICD biedt extra veiligheid. Elke nacht controleert de ICD automatisch zijn werking zonder dat de patiënt het merkt. Indien het apparaat een afwijking opspoort, laat het op een vooraf ingestelde tijd een geluidssignaal horen, het zogenaamde patiëntensignaal.

De pulsgenerator (een klein kastje) wordt in de borststreek onder de huid (subcutaan) of onder de spier geplaatst. Deze kleine ingreep wordt gewoonlijk onder plaatselijke verdoving uitgevoerd. Aan het einde van de ingreep is meestal een kortdurende algehele verdoving nodig om het apparaat te testen. Het apparaat wordt via de geleidingsdraden met het hart verbonden. Tijdens de ingreep worden deze via een ader in het hart ingebracht. De werking van de ICD wordt getest en aan de specifieke behoeften van de patiënt aangepast. Meestal mag de patiënt enkele dagen na de ingreep het ziekenhuis verlaten.

Feiten en cijfers over een ICD

Elk jaar overlijden in Europa ongeveer 550.000 mensen aan een plotselinge hartstilstand. In België sterven ieder jaar ongeveer 11.000 mensen door een acute hartstilstand. Dat is één op de duizend mensen! De meesten van hen hadden kunnen worden gered wanneer snel een externe defibrillator kon worden gebruikt.

Artsen overwegen bij sommige patiënten ook de implantatie van een inwendige automatische defibrillator (implantable cardioverter defibrillator of ICD). Het gaat hierbij om de volgende categorieën patiënten:

- patiënten die al een episode van ventrikelfibrillatie of een hartstilstand met reanimatie hebben doorgemaakt;

- patiënten die na een ventriculaire tachycardie het bewustzijn verloren hebben; .

- patiënten met ventriculaire tachycardie en hartfalen;

- patiënten met kortdurende ventriculaire tachycardie die van tevoren een myocardinfarct hebben gehad, en bij wie bij hartonderzoek wordt ontdekt dat ze aan ventriculaire tachycardie lijden;

- patiënten die om onbekende redenen bewusteloos zijn geraakt, aan hartfalen lijden en bij wie ventriculaire tachycardie kan worden opgewekt; .

- patiënten met een hoog risico op een fatale aritmie als gevolg van erfelijke aandoeningen.

In de bovengenoemde gevallen is een ICD geïndiceerd. De verantwoordelijke arts beslist per geval of een ICD een oplossing biedt. Aangezien het aantal risicofactoren voor plotselinge hartstilstand voortdurend toeneemt, kan worden verondersteld dat ICD's vaker als behandelmethode zullen worden toegepast. In elk geval biedt een ICD zekerheid aan patiënten die bij een ernstige aritimie mogelijk door dit apparaat kunnen worden gered..

Leven met een ICD

Na uw ontslag uit het ziekenhuis zult u enkele maanden aan uw ICD moeten wennen. Praat erover met uw familie en vrienden. Ook al kan een ICD uw hartaandoening niet echt genezen, toch biedt hij u zekerheid. De eerste angst en twijfels verdwijnen meestal na een aantal gesprekken. In dit stadium kunnen patiëntenverenigingen zeer waardevol zijn voor patiënten met een ICD. De meeste patiënten wennen snel aan hun ICD. Ze beseffen dat ze de mogelijkheid hebben om weer een actief leven te leiden. In de meeste gevallen kan de ICD de gevolgen van een mogelijke tachycardie voorkomen en daarmee de kwaliteit van het leven van de patiënt verbeteren.

Levensgewoonte aanpassen

Onmiddellijk na de ingreep dient u een aantal voorzorgsmaatregelen te nemen. Onderzoek het litteken en informeer uw arts indien dit rood wordt, zwelt of begint te lekken. De eerste dagen na de ingreep moet u te energieke bewegingen van de betrokken schouder vermijden zodat de littekenvorming normaal kan plaatsvinden. Daarna kunt u weer gewoon gaan bewegen; dit is zelfs beter voor de beweeglijkheid van de schouder. We adviseren u in het begin geen zware voorwerpen te tillen. Na overleg met uw arts mag u lopen, bepaalde sporten beoefenen of zwemmen. Draag geen te strakzittende kleding op het litteken om irritatie te voorkomen. Zodra de wond is genezen, kunt u nieuwe activiteiten ondernemen. Wanneer uw arts geen bezwaren heeft en u zich goed voelt, kunt u al uw activiteiten hervatten. De meeste patiënten met een ICD kunnen al hun activiteiten hervatten omdat de angst voor een aritmie-aanval is verdwenen. Ze voelen zich veilig. Denk eraan dat u zich bij alle activiteiten beter moet voelen wanneer u uw normale leven hervat, en zeker niet slechter.

ICD-identificatiekaart

Na de implantatie krijgt u van uw arts een ICD-identificatiekaart. Deze moet u altijd bij zich dragen. Hij bevat belangrijke informatie voor u en uw arts over het geïmplanteerde apparaat. Mocht u de kaart verliezen, dan kan uw cardioloog u altijd een nieuwe kaart bezorgen. Bovendien moeten zorgverleners, zoals bijvoorbeeld uw tandarts, op de hoogte worden gebracht van het feit dat u een ICD draagt; het kan in bepaalde situaties nodig zijn bijzondere voorzorgsmaatregelen te nemen bij een medische tandverzorging of bij het voorschrijven van geneesmiddelen (sommige geneesmiddelen kunnen het hartritme beïnvloeden).

ICD - wat te doen in geval van nood

Indien een tachycardie optreedt, zal uw ICD proberen deze op een pijnloze manier te stoppen. Indien de behandeling geen resultaat heeft, zal een cardioversie- of defibrillatieschok worden afgegeven. U dient dan de volgende voorschriften na te leven:

- blijf rustig zitten of zoek een plaats waar u comfortabel kunt gaan zitten of liggen;

- vraag iemand bij u te blijven en een ambulance te bellen indien het probleem aanhoudt;

- neem contact op met uw arts of de medische hulpdienst indien u zich niet goed voelt na een ingreep door de ICD;

- voor uw veiligheid kan het nodig zijn u naar de afdeling spoedeisende hulp van het dichtstbijzijnde ziekenhuis te brengen;

- ook als u zich goed voelt na de ingreep door de ICD, is het raadzaam contact op te nemen met uw cardioloog om hem op de hoogte te brengen van wat er gebeurd is. Hij zal u een aantal vragen stellen.

Niet alle patiënten ervaren de schok op dezelfde manier. Sommigen ervaren de puls als een hevige, zelfs pijnlijke schok in de borstkas. De spieren van de borstkas en de bovenarm kunnen samentrekken, soms zo hevig dat de patiënt opspringt. Maakt u zich echter geen zorgen, want dit betekent dat de ICD goed werkt. De patiënten ervaren dit meestal als noodzakelijk en geruststellend. Uiteindelijk is de hartritmestoornis gevaarlijk en niet de ICD. Dit geldt ook wanneer u flauwvalt. Het flauwvallen is te wijten aan de ritmestoornis en niet aan de defibrillatie. De patiënten met een ICD hebben over het algemeen het gevoel dat de ICD op het juiste moment ingrijpt om het levensbedreigende hartritme weer naar een normaal ritme te brengen

Stamceltherapie

Het XCell-Center behandelt hart- en vaatziekten door gebruik te maken van het regeneratieve vermogen van adulte stamcellen. Omdat het bloed via de bloedvaten naar alle delen van het lichaam stroomt kunnen er bij vaataandoeningen diverse soorten klachten optreden. De bloedsomloop wordt op gang gehouden door het hart dat zelf eveneens via bloedvaten wordt voorzien van voedingsstoffen.

Als een orgaan via het bloed niet meer voldoende voedingsstoffen en zuurstof krijgt toegevoerd treden er functiestoornissen op en kunnen weefsels eventueel afsterven. Een karakteristiek voorbeeld is een Hartinfarct dit wordt veroorzaakt door een verminderde doorbloeding van de hartspier.

Er zijn vele oorzaken voor aandoeningen van hart en bloedvaten.

De aanleg voor vaatklachten kan deels aangeboren zijn (bv. spataderen), de klachten kunnen verband houden met medicijngebruik, of hart en vaten kunnen beschadigd raken door uitwendige traumata. De belangrijkste factor is echter onze huidige manier van leven. Omdat de wanden van de bloedvaten voortdurend in contact staan met het door de vaten stromende bloed worden ze rechtstreeks beïnvloed door ongunstige condities. Als de bloedwaarden slecht zijn, bijv. doordat het bloed teveel suiker, cholesterol, triglyceriden (vetten) of nicotine bevat, is dat een grote belasting voor de bloedvaten. De suiker bindt aan de vaatwanden en bestanddelen van het bloed, en ook cholesterol en triglyceriden zetten zich af op de vaatwanden. Het gevolg is dat het bloed gaat klonteren, de vaatwanden "verkalken", worden poreus en kunnen hun biologische functie niet meer goed uitvoeren. Onder invloed van nicotine trekken bovendien de spieren van de vaten samen waardoor de vaten nauwer worden en er nog minder bloed circuleert.

Als daarbij dan nog komt dat er een tekort is aan vaatbeschermende stoffen, dan kunnen de beschadigde bloedvaten niet meer voldoende regenereren. Dit kan leiden tot de volgende klachten: arteriosclerose, open been, verwijding van de buikslagader, (Aneurisma), hartzwakte, hartinfarcten en beroertes. In Duitsland en vele andere geïndustrialiseerde landen met een westerse levensstijl zijn hart- en vaatziekten al jarenlang de belangrijkste doodsoorzaak.

Stoffen met een vaatbeschermende werking zijn onder meer vitamine C en E en enkele B-vitamines, secundaire plantaardige stoffen (zoals flavonoïden van groente, reservatol in rode wijn, catechine in thee) of omega-3-vetzuren (zeevis). Ook voldoende lichaamsbeweging houdt de vaten elastisch. Om die reden kan een verandering van levensstijl een preventief effect hebben op deze aandoeningen. Nadat de vaataandoeningen manifest zijn geworden zijn er diverse geïndiceerde behandelingen. Het doel van elke behandeling is het normaliseren van de doorbloeding (bv. door bloedverdunnende geneesmiddelen) en het herstellen of verwijderen van de beschadigde vaten. Er moet gestreefd worden naar een holistische behandelopzet waarbij niet alleen specifieke beschadigingen hersteld worden maar veel meer het geheel van hart en bloedsomloop wordt verbeterd. Bedacht moet worden dat niet de beroerte of het hartinfarct de onderliggende aandoeningen zijn maar dat het gaat om schade aan de bloedvaten.

De behandeling in het XCell-Center

Het XCell-Center behandelt hart- en vaatziekten door gebruik te maken van het regeneratieve vermogen van adulte stamcellen. De stamcellen worden intraveneus toegediend waardoor ze rechtstreeks in de bloedsomloop komen en zo het gehele lichaam kunnen bereiken. Vermoed wordt dat de stamcellen de beschadigde endotheelcellen (die de binnenkant van de vaten bekleden) en de spiercellen van de vaten stimuleren tot regeneratie waardoor deze elastischer worden en de doorbloeding wordt verbeterd. Om een hoge concentratie stamcellen in het beschadigde doelweefsel te bereiken kan ook via angiografie gewerkt worden. Via een katheter wordt dan het stamcelconcentraat rechtstreeks in de naar het orgaan leidende arterie gebracht.

Hartklepoperatie

Er zijn twee mogelijkheden: de hartklep wordt vervangen of gerepareerd. Als blijkt dat de pompfunctie van het hart achteruitgaat en het hart geleidelijk minder aan kan, is het verstandig om achteruitgang te voorkomen. De cardioloog kan adviseren om een hartklepoperatie uit te voeren. Een ingreep aan de hartkleppen is een grote operatie die de nodige voorbereiding vereist.

Wanneer de kleppen van het hart weigeren

Om ervoor te zorgen dat boezems en kamers van het hart het bloed altijd in de juiste richting kunnen pompen, werken de vier hartkleppen als ventiel en verhinderen dat het bloed in de verkeerde richting terugstroomt.

Elke harthelft heeft een zeilklep en een halvemaanvormige klep. De zeilkleppen liggen tussen boezem en kamer en heten mitralisklep (linkerdeel van het hart) en tricuspidalisklep (rechterdeel van het hart). De halvemaankleppen liggen telkens tussen kamer en uitstroomvat en heten aortaklep (linkerdeel van het hart) en pulmonalisklep (rechterdeel van het hart). De hartkleppen bestaan uit fijn en zeer elastisch bindweefsel. Elke hartklep opent en sluit in de loop van slechts één dag ca. 120.000 keer.

Het hart met de 4 hartkleppen

Om ervoor te zorgen dat de pompfunctie van het hart optimaal functioneert, moet elke hartklep afhankelijk van de hartfase correct openen en sluiten. Wanneer dat niet het geval is, dan is er sprake van een hartklepgebrek. In principe wordt er onderscheid gemaakt tussen twee vormen klepgebreken. Bij de vernauwing (stenose) komt er niet voldoende bloed door de klep en hoopt het zich op in het daarvoor liggende hartgebied. Bij een lekkage (insufficiëntie) van de hartklep stroomt een deel van het voortgestuwde bloed weer achter de hartklep terug.

Er zijn verschillende oorzaken voor hartklepgebreken. Aangeboren hartklepgebreken kunnen bijvoorbeeld ontstaan door de gevolgen van schadelijke stoffen in de zwangerschap of bij aandoeningen van de moeder in de loop van de zwangerschap (b.v. rodehond of diabetes mellitus). Ook bepaalde defecten in de erfmassa kunnen leiden tot aangeboren hartklepgebreken. Verkregen hartklepgebreken ontwikkelen zich bijvoorbeeld na een hartinfarct, na een ontsteking van de hartspier (myocarditis) of van de binnenbekleding van het hart (endocarditis), door kalkafzettingen of bij tumoren. Bij ca. 99 % van de hartklepaandoeningen gaat het om verkregen hartklepgebreken.

Wanneer de klepfunctie van de kleppen zo ver gestoord is, dat het bloed wordt opgestuwd of terugstroomt, moet het hart harder werken om het bloed te kunnen blijven rondpompen. Door de hogere belasting van de hartwand en de hartspier kunnen hartzwakte (insufficiëntie) en hartritmestoornissen ontstaan, die in ernstige gevallen kunnen leiden tot hartfalen. De verminderde functie van de bloedsomloop leidt tot vochtophopingen (oedemen) in het weefsel, hetgeen zich bijvoorbeeld kan uiten in ademnood, been- of leverzwellingen.

Er zijn twee mogelijkheden: de hartklep wordt vervangen of gerepareerd.

In principe wordt gestreefd naar reparatie van de eigen hartklep, omdat de complicaties daarbij zowel tijdens als na de operatie kleiner zijn dan bij een vervangende klepoperatie.

Reparatie hartklep

Bij een reparatie van een hartklep kan de chirurg bijvoorbeeld vergroeide klepbladen losmaken of een uitgerekte klepring een beetje kleiner maken.

Vervanging hartklep

Bij een vervanging haalt men de natuurlijke klep helemaal of gedeeltelijk weg en vervangt men de hartklep door een kunstklep of een biologische klep.

Mechanische klep

De mechanische kleppen zijn gemaakt van duurzaam materiaal: kunststof of koolstof en metaal. Hierdoor slijten ze nauwelijks en gaan in principe een leven lang mee. Sommige mechanische kleppen maken een tikkend geluid dat hoorbaar is voor de patiënt.

Dragers van een mechanische klep moeten levenslang antistollingsmiddelen blijven slikken.

Biologische klep

De biologische kleppen (of bioprothesen) zijn gemaakt van speciaal bewerkt weefsel van dieren (varkens of runderen) of het zijn donorkleppen van mensen (een zogenoemde homograft). Het voordeel van biologische kleppen is dat ze vrij gemakkelijk te plaatsen zijn, dat ze geluidloos zijn en dat de patiënt geen antistollingsmiddelen hoeft te gebruiken. Een nadeel is dat ze op den duur slijten en op een gegeven moment weer vervangen moeten worden.

Toepassing hartklepoperatie

Als de afwijking niet ernstig is dan kunnen medicijnen ervoor zorgen dat het hart minder hard hoeft te werken waardoor de patiënt minder last ondervindt van de niet goed werkende hartklep.

Soms kan een vernauwde hartklep worden opgerekt. Dit gebeurt met behulp van ballondilatatie. Bij ernstiger afwijkingen, of wanneer de toestand van het hart en de kleppen achteruit gaat kan men besluiten om te opereren. De specialisten wegen in samenspraak met de patiënt af welk soort operatie, reparatie of vervanging (mechanische of biologische klep) het meest geschikt is.

De operatie

De chirurg snijdt het borstbeen open over een lengte van ongeveer twintig centimeter. Door daarna de twee helften met de ribben opzij te duwen kan hij bij het hart komen.

Hoe verloopt een hartklepoperatie

Het lichaam wordt gedurende de operatie aangesloten op de hart-longmachine. Deze machine zorgt voor voldoende aanvoer van zuurstof (en voedingsstoffen) voor het lichaam; de functie die het hart normaal gesproken vervult. Als er geen bloed meer door het hart loopt, wordt het hart met een speciale vloeistof gekoeld en stilgelegd. Daarna opent de chirurg het hart en bekijkt de klep die geopereerd gaat worden. Pas dan beslist hij wat voor operatie hij gaat uitvoeren: een reparatie of een klepvervanging.

Als de chirurg de operatie heeft uitgevoerd, wordt het bloed weer door de slagaderen (kransslagaderen) van het hart geleid en het lichaam weer op normale temperatuur gebracht. Het borstbeen wordt met metaaldraad gesloten.

Na de operatie verblijft de patiënt enige tijd op de intensivecareafdeling. Het totale verblijf in het ziekenhuis duurt ongeveer 8 dagen.

Na de operatie komt men in aanmerking voor hartrevalidatie.

Operatie via hartkatheterisatie

Hartklepvervanging via hartkatheterisatie is een operatie waarbij het borstbeen niet open hoeft. Deze operatie is inmiddels enkele malen uitgevoerd in het buitenland en ook in Nederland. Momenteel is deze vorm van operatie nog in een experimenteel stadium.

Dokter er is iets mis, mijn hartklep klinkt anders…’.

Geluidsdiagnose van mechanische kunsthartkleppen ter voorkoming van trombose..

Hartkleppen zijn de sluisdeuren van het bloedcirculatiesysteem. Ons hart telt er vier en ze regelen de doorstroming van het bloed, zodat het voldoende stuwing krijgt om de lange weg doorheen het lichaam af te leggen. Een fout in één van deze kleppen heeft dan ook fatale gevolgen.

Om hartfalen te voorkomen bij aangeboren hartklepafwijkingen, slijtage door ouderdom, infectie of andere oorzaken, is een hartklepvervanging vaak de enige oplossing. Hiervoor zijn er vandaag de dag twee mogelijkheden:

een biologische ‘dode’ kunsthartklep van een varken, of een metalen ‘mechanische’ klep. De mechanische klep is echter de enige die het vermoeiende werk – een klep opent en sluit gemiddeld zo’n zeven miljoen keer per dag – levenslang uithoudt zonder te verslijten. Daarom is zij voorlopig de enige oplossing voor jonge patiënten en vinden er jaarlijks in Europa ongeveer 75 000 implantaties van deze kleppen plaats.

De kracht van de mechanische klep is echter meteen ook haar grootste zwakte: metaal. Ons immuunstelsel is immers zo opgebouwd dat het meteen reageert op lichaamsvreemde objecten, zoals metaal, door middel van een stollingsreactie van het bloed en de vorming van littekenweefsel. Deze ingebouwde veiligheid heeft in dit geval catastrofale gevolgen wanneer de op de klep gevormde bloedklonters (trombi) in de bloedbaan terechtkomen en ergens een opstopping veroorzaken, ook wel trombose genaamd. Het littekenweefsel kan ook de scharniertjes van de klep laten stroppen zodat de klep niet meer opent of sluit en het probleem weer van voor af aan begint. Sterfte door kunstklep gerelateerde trombose komt jaarlijks wereldwijd in 0.03 tot 4.3% van de gevallen voor, een niet verwaarloosbaar aantal.

Hoe goed de kleppen ook bedekt worden met zogenaamde ‘biocompatibele’ deklagen, het risico blijft bestaan. Daarom dienen patiënten met een kunsthartklep levenslang en dagelijks antistollingsmedicatie oftewel bloedverdunners te slikken. Het spreekt voor zich dat dit het risico op hevige bloedingen en andere ongunstige neveneffecten met zich meebrengt, waardoor de levenskwaliteit van deze patiënten soms onnodig daalt. Onnodig, omdat deze bloedverdunners preventief worden ingenomen, zonder zekerheid dat er überhaupt klonter- of littekenweefselvorming is. Het grootste deel van de tijd functioneert deze hartklep waarschijnlijk perfect normaal, maar dit kan niet gecontroleerd worden, noch met een stethoscoop, noch met gesofisticeerde technieken zoals echocardiografie en röntgen fluoroscopie.

Toch zullen sommige hartkleppatiënten deze laatste bewering durven weerleggen. ‘Dokter, er is iets mis, mijn klep klinkt anders.’, heeft al meer dan één arts van zijn patiënt te horen gekregen, en meer dan eens had deze het bij het rechte eind. Wanneer er zich een bloedklonter tussen de scharniertjes of op de klepblaadjes vormt, is er een verandering in de wijze van openen en sluiten, en kan het dus inderdaad zijn dat de klep anders gaat ‘klinken’.

Image

Download Our Mobile App

Image
Image